Prima Secundae. Quaestio 90. Over het wezen van de wet .
Prooemium
Consequenter considerandum est de principiis exterioribus actuum. Principium autem
exterius ad malum inclinans est Diabolus, de cuius tentatione in primo dictum est.
Principium autem exterius movens ad bonum est Deus, qui et nos instruit per legem,
et iuvat per gratiam. Unde primo, de lege; secundo, de gratia dicendum est. Circa
legem autem, primo oportet considerare de ipsa lege in communi; secundo, de partibus
eius. Circa legem autem in communi tria occurrunt consideranda, primo quidem, de essentia
ipsius; secundo, de differentia legum; tertio, de effectibus legis. Circa primum quaeruntur
quatuor. Primo, utrum lex sit aliquid rationis. Secundo, de fine legis. Tertio, de
causa eius. Quarto, de promulgatione ipsius. (Ia-IIae q. 90 pr.)
We moeten nu handelen over de uitwendige beginselen van onze handelingen. Het uitwendig
beginsel nu, dat aanzet tot het kwaad, is de duivel; in het I° Deel (CXIVe Kw.) hebben
we dan ook gehandeld over de bekoring. Het uitwendig beginsel echter dat aanzet tot
het goed, is God, die ons onderricht door de wet, en ons helpt door de genade. Daarom
moeten we eerst handelen over de wet, en daarna over de genade. Met betrekking tot
de wet moeten we ten eerste handelen over de wet in het algemeen; ten tweede, over
haar verdeling. Met betrekking tot de wet in het algemeen moeten we drie dingen beschouwen:
ten eerste, het wezen van de wet; ten tweede de verschillende soorten wetten; ten
derde, de gevolgen van de wet. Met betrekking tot het eerste, stellen we vier vragen:
1) Is de wet iets van het verstand? 2) Over het doel van de wet. 3) Over de oorzaak
van de wet. 4) Over de afkondiging van de wet.
Articulus 1. Is de wet iets van het verstand?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod lex non sit aliquid rationis. Dicit enim apostolus,
ad Rom. VII, video aliam legem in membris meis, et cetera. Sed nihil quod est rationis,
est in membris, quia ratio non utitur organo corporali. Ergo lex non est aliquid rationis. (Ia-IIae q. 90 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de wet niet iets van het verstand is. De Apostel immers zegt in zijn
*Brief aan de Romeinen* (7, 23): «Ik zie in mijn ledematen een andere wet» enz. Welnu
iets van het verstand kan niet in de ledematen zijn, daar het verstand geen stoffelijk
orgaan gebruikt. Dus is de wet niet iets van het verstand.
Praeterea, in ratione non est nisi potentia, habitus et actus. Sed lex non est ipsa
potentia rationis. Similiter etiam non est aliquis habitus rationis, quia habitus
rationis sunt virtutes intellectuales, de quibus supra dictum est. Nec etiam est actus
rationis, quia cessante rationis actu, lex cessaret, puta in dormientibus. Ergo lex
non est aliquid rationis. (Ia-IIae q. 90 a. 1 arg. 2)
2 — In het verstand wordt slechts gevonden: vermogen, hebbelijkheid en daad. Welnu de
wet is niet het verstandsvermogen zelf, ook is ze geen hebbelijkheid ervan, daar de
hebbelijkheden van het verstand de verstandelijke deugden zijn, waarover vroeger gehandeld
is (LVII° Kw.). Evenmin is zij een daad van het verstand, omdat dan de wet haar waarde
zou verliezen, als de daad van het verstand zou ophouden, bijvoorbeeld in de slaap.
Dus is de wet niets iets van het verstand.
Praeterea, lex movet eos qui subiiciuntur legi, ad recte agendum. Sed movere ad agendum
proprie pertinet ad voluntatem, ut patet ex praemissis. Ergo lex non pertinet ad rationem,
sed magis ad voluntatem, secundum quod etiam iurisperitus dicit, quod placuit principi,
legis habet vigorem. (Ia-IIae q. 90 a. 1 arg. 3)
3 — De wet zet haar onderdanen aan om het goede te doen. Welnu aanzetten tot handelen
behoort eigenlijk tot de wil, zoals uit het voorgaande blijkt (IX° Kw., 1° Art.).
Dus is de wet eerder iets van de wil dan van het verstand. Daarom zegt de Jurisperitus
(I° Boek, f. f. De const. princ.) : « Het verlangen van de vorst heeft kracht van
wet. »
Sed contra est quod ad legem pertinet praecipere et prohibere. Sed imperare est rationis,
ut supra habitum est. Ergo lex est aliquid rationis. (Ia-IIae q. 90 a. 1 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat gebieden en verbieden behoren tot het begrip van wet.
Welnu gebieden is iets van het verstand, zoals hierboven bewezen is (XVII° Kw., 1°
Art.). Dus is ook de wet iets van het verstand.
Respondeo dicendum quod lex quaedam regula est et mensura actuum, secundum quam inducitur
aliquis ad agendum, vel ab agendo retrahitur, dicitur enim lex a ligando, quia obligat
ad agendum. Regula autem et mensura humanorum actuum est ratio, quae est primum principium
actuum humanorum, ut ex praedictis patet, rationis enim est ordinare ad finem, qui
est primum principium in agendis, secundum philosophum. In unoquoque autem genere
id quod est principium, est mensura et regula illius generis, sicut unitas in genere
numeri, et motus primus in genere motuum. Unde relinquitur quod lex sit aliquid pertinens
ad rationem. (Ia-IIae q. 90 a. 1 co.)
De wet is een norm en een maatstaf van handelen waardoor iemand aangezet wordt tot
handelen of er van wordt afgehouden. Het Latijnse woord *lex* immers is afgeleid van
*ligare*, binden: de wet immers is als een band, waardoor ons een handeling wordt
opgelegd. Welnu, het verstand, dat, zoals uit het voorgaande blijkt (LXVIe Kw., 1e
Art.), het eerste beginsel der menselijke handelingen is, is er ook norm en maatstaf
van. Het is immers eigen aan het verstand, te ordenen tot het doel, dat, zoals de
Wijsgeer zegt (IIe Boek der *Physica*, IXe H, Nr 3), het eerste beginsel van handelen
is. In iedere soort nu is dat norm en maatstaf, wat er het eerste beginsel van is,
zoals de eenheid voor de getallen en de eerste beweging voor de beweging. Vandaar
volgt, dat de wet iets is, wat behoort tot het verstand.
Ad primum ergo dicendum quod, cum lex sit regula quaedam et mensura, dicitur dupliciter
esse in aliquo. Uno modo, sicut in mensurante et regulante. Et quia hoc est proprium
rationis, ideo per hunc modum lex est in ratione sola. Alio modo, sicut in regulato
et mensurato. Et sic lex est in omnibus quae inclinantur in aliquid ex aliqua lege,
ita quod quaelibet inclinatio proveniens ex aliqua lege, potest dici lex, non essentialiter,
sed quasi participative. Et hoc modo inclinatio ipsa membrorum ad concupiscendum lex
membrorum vocatur. (Ia-IIae q. 90 a. 1 ad 1)
1 — Daar de wet een norm is en een maatstaf, kan zij op twee manieren in iets gevonden
worden. Ten eerste, in iets dat zelf norm en maatstaf is. Zo is de wet alleen in het
verstand, daar norm en maatstaf aan de rede eigen is. Ten tweede, in iets dat gemeten
en geregeld is. Zo wordt de wet in alle dingen gevonden, die door een wet neiging
hebben tot iets. In die zin kan iedere door een of andere wet veroorzaakte neiging
wet genoemd worden, niet wezenlijk, maar door deelhebbing. En zo kan eveneens de hang
van de ledematen naar het zinnelijke, de wet der ledematen genoemd worden.
Ad secundum dicendum quod, sicut in actibus exterioribus est considerare operationem
et operatum, puta aedificationem et aedificatum; ita in operibus rationis est considerare
ipsum actum rationis, qui est intelligere et ratiocinari, et aliquid per huiusmodi
actum constitutum. Quod quidem in speculativa ratione primo quidem est definitio;
secundo, enunciatio; tertio vero, syllogismus vel argumentatio. Et quia ratio etiam
practica utitur quodam syllogismo in operabilibus, ut supra habitum est, secundum
quod philosophus docet in VII Ethic.; ideo est invenire aliquid in ratione practica
quod ita se habeat ad operationes, sicut se habet propositio in ratione speculativa
ad conclusiones. Et huiusmodi propositiones universales rationis practicae ordinatae
ad actiones, habent rationem legis. Quae quidem propositiones aliquando actualiter
considerantur, aliquando vero habitualiter a ratione tenentur. (Ia-IIae q. 90 a. 1 ad 2)
2 — Evenals men in de uiterlijke handelingen én de werking én het uitgewerkte, b. v. de
bouw en het gebouw, kan beschouwen, zo ook kan men in de verstandsdaden afzonderlijk
beschouwen én de verstandsdad zelf, nl. het begrijpen, het redeneren, én iets wat
door die daad wordt gevormd. Dit is in het beschouwend verstand ten eerste, de definitie,
ten tweede, het oordeel, en ten derde, de redenering of bewijsvoering. Daar nu het
praktisch verstand bij zijn handelingen ook een soort redenering gebruikt, zoals vroeger
bewezen is (XIII° Kw., 3° Art.; LXXVII° Kw., 2° Art., antwoord op de 4° Bed.), en
zoals de Wijsgeer zegt in het VII° Boek der Ethica (III° H., Nr 9, 10), kan men in
het praktisch verstand iets vinden, wat zich op gelijke wijze verhoudt tot de handelingen,
als het voorafgaande oordeel in het beschouwend verstand tot de gevolgtrekking. Die
algemene voorafgaande oordelen nu van het praktisch verstand zijn een wet, terwijl
ze dan eens feitelijk overdacht worden, dan weer als een hebbelijkheid door het verstand
gehouden worden.
Ad tertium dicendum quod ratio habet vim movendi a voluntate, ut supra dictum est,
ex hoc enim quod aliquis vult finem, ratio imperat de his quae sunt ad finem. Sed
voluntas de his quae imperantur, ad hoc quod legis rationem habeat, oportet quod sit
aliqua ratione regulata. Et hoc modo intelligitur quod voluntas principis habet vigorem
legis, alioquin voluntas principis magis esset iniquitas quam lex. (Ia-IIae q. 90 a. 1 ad 3)
3 — Het verstand heeft zijn aanzettingskracht door de wil, zoals hierboven bewezen is
(XVII° Kw., 1° Art.). Juist omdat de wil het doel wil, geeft het verstand zijn bevelen
omtrent de middelen. Maar om een wet te zijn, moet de wil met betrekking tot de middelen
door het verstand geregeld worden. In die zin moet men verstaan, dat het verlangen
van de vorst kracht van wet heeft; anders zou dit verlangen van de vorst eerder een
onrechtvaardigheid zijn dan een wet.
Articulus 2. Is de wet altijd gericht op het algemeen welzijn?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod lex non ordinetur semper ad bonum commune
sicut ad finem. Ad legem enim pertinet praecipere et prohibere. Sed praecepta ordinantur
ad quaedam singularia bona. Non ergo semper finis legis est bonum commune. (Ia-IIae q. 90 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de wet niet altijd gericht is op het algemeen welzijn als op haar
doel. Tot het begrip van wet behoort het gebieden en verbieden. Welnu soms zijn bevelen
gericht op een of ander particulier goed. Dus is het doel van de wet niet altijd het
algemeen welzijn.
Praeterea, lex dirigit hominem ad agendum. Sed actus humani sunt in particularibus.
Ergo et lex ad aliquod particulare bonum ordinatur. (Ia-IIae q. 90 a. 2 arg. 2)
2 — De wet drijft de mens tot handelen. Welnu de menselijke handelingen hebben betrekking
op het bijzondere. Dus is ook de wet gericht op het bijzondere.
Praeterea, Isidorus dicit, in libro Etymol., si ratione lex constat, lex erit omne
quod ratione constiterit. Sed ratione consistit non solum quod ordinatur ad bonum
commune, sed etiam quod ordinatur ad bonum privatum. Ergo lex non ordinatur solum
ad bonum commune, sed etiam ad bonum privatum unius. (Ia-IIae q. 90 a. 2 arg. 3)
3 — Isidorus zegt in zijn *Etymologieën* (V° B., III° H.) : « Indien de wet vast staat
door het verstand, moet alles, wat door het verstand vast staat, wet zijn. » Welnu,
door het verstand staat niet alleen vast, wat gericht is op het algemeen welzijn,
maar ook wat gericht is op het particulier welzijn van een enkeling. Dus is de wet
niet alleen gericht op het algemeen welzijn, maar ook op het particulier welzijn van
een enkele ling.
Sed contra est quod Isidorus dicit, in V Etymol., quod lex est nullo privato commodo,
sed pro communi utilitate civium conscripta. (Ia-IIae q. 90 a. 2 s. c.)
Maar daartegenover staat het gezegde van Isidorus (t. a. pl., V° B., XXI° H.) dat
de wet geen voorschrift is voor particulier belang, maar voor het algemeen belang
der burgers.
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, lex pertinet ad id quod est principium
humanorum actuum, ex eo quod est regula et mensura. Sicut autem ratio est principium
humanorum actuum, ita etiam in ipsa ratione est aliquid quod est principium respectu
omnium aliorum. Unde ad hoc oportet quod principaliter et maxime pertineat lex. Primum
autem principium in operativis, quorum est ratio practica, est finis ultimus. Est
autem ultimus finis humanae vitae felicitas vel beatitudo, ut supra habitum est. Unde
oportet quod lex maxime respiciat ordinem qui est in beatitudinem. Rursus, cum omnis
pars ordinetur ad totum sicut imperfectum ad perfectum; unus autem homo est pars communitatis
perfectae, necesse est quod lex proprie respiciat ordinem ad felicitatem communem.
Unde et philosophus, in praemissa definitione legalium, mentionem facit et de felicitate
et communione politica. Dicit enim, in V Ethic., quod legalia iusta dicimus factiva
et conservativa felicitatis et particularum ipsius, politica communicatione, perfecta
enim communitas civitas est, ut dicitur in I Polit. In quolibet autem genere id quod
maxime dicitur, est principium aliorum, et alia dicuntur secundum ordinem ad ipsum,
sicut ignis, qui est maxime calidus, est causa caliditatis in corporibus mixtis, quae
intantum dicuntur calida, inquantum participant de igne. Unde oportet quod, cum lex
maxime dicatur secundum ordinem ad bonum commune, quodcumque aliud praeceptum de particulari
opere non habeat rationem legis nisi secundum ordinem ad bonum commune. Et ideo omnis
lex ad bonum commune ordinatur. (Ia-IIae q. 90 a. 2 co.)
Gelijk in het vorige Artikel gezegd is, heeft de wet betrekking op het beginsel der
menselijke handelingen, omdat ze norm en maatstaf is. Evenals nu het verstand het
beginsel is der menselijke handelingen, zo ook wordt in het verstand iets gevonden
wat beginsel is met betrekking tot al het andere. Daarom moet de wet vooral en hoofdzakelijk
betrekking hebben op dat beginsel. Het eerste beginsel nu van de werkingen, die het
voorwerp zijn van het practisch verstand, is het laatste doel. Het laatste doel van
het menselijk leven is het geluk of de zaligheid, zoals vroeger bewezen is (II° Kw.,
7° Art., III, 1). Hieruit volgt, dat de wet zich vooral betrekt op de weg, die tot
de zaligheid leidt. Aangezien daarenboven ieder deel op zijn beurt geordend is tot
het geheel, zoals het onvolmaakte tot het volmaakte (één mens is toch een deel van
een volmaakte gemeenschap), moet de wet eigenlijk betrekking hebben op de orde van
het algemeen welzijn. Vandaar spreekt de Wijsgeer, in zijn bepaling van de wettelijke
regelingen, van het welzijn der burgelijke gemeenschap. Hij zegt nl. in het V° Boek
der Ethica (I° H., Nr 13): „Wij noemen wettelijke regelingen rechtvaardig wanneer
ze het welzijn en dat er toe behoort, in de burgelijke gemeenschap bewerken en het
onderhouden.” Immers de staat is een volmaakte gemeenschap, zoals we lezen in het
I° Boek der Politiek (I° H., Nr 1). Welnu in iedere soort is datgene, wat het voornaamste
is, het beginsel van het andere, dat slechts benoemd wordt in orde tot dat beginsel.
Zo is b. v. het vuur, waarin de hoogste graad der warmte is, de oorzaak der warmte
in de samengestelde lichamen, die slechts warm genoemd worden voor zover ze delen
in de warmte van het vuur. Omdat nu de wet voornamelijk genoemd wordt met betrekking
tot het algemeen welzijn, valt ieder ander voorschrift, dat betrekking heeft op een
particulier goed, slechts in zover onder het begrip van wet, als het een zekere orde
zegt tot het algemeen welzijn. Zo dan is iedere wet geordend tot het algemeen welzijn.
Ad primum ergo dicendum quod praeceptum importat applicationem legis ad ea quae ex
lege regulantur. Ordo autem ad bonum commune, qui pertinet ad legem, est applicabilis
ad singulares fines. Et secundum hoc, etiam de particularibus quibusdam praecepta
dantur. (Ia-IIae q. 90 a. 2 ad 1)
1 — Een voorschrift brengt de toepassing van de wet op die dingen met zich mee, die door
de wet worden geregeld. De orde nu tot het algemeen welzijn, waarop de wet betrekking
heeft, kan toegepast worden op particuliere doeleinden. In die zin worden dan ook
sommige voorschriften gegeven met betrekking tot particuliere doeleinden.
Ad secundum dicendum quod operationes quidem sunt in particularibus, sed illa particularia
referri possunt ad bonum commune, non quidem communitate generis vel speciei, sed
communitate causae finalis, secundum quod bonum commune dicitur finis communis. (Ia-IIae q. 90 a. 2 ad 2)
2 — De werkingen hebben heel zeker betrekking op het bijzondere. Maar dat bijzondere zelf
kan gericht worden op het algemeen welzijn, niet als op zijn geslacht of op zijn soort,
maar als op zijn doeloorzaak. Het algemeen welzijn immers wordt het algemeen doel
genoemd.
Ad tertium dicendum quod, sicut nihil constat firmiter secundum rationem speculativam
nisi per resolutionem ad prima principia indemonstrabilia, ita firmiter nihil constat
per rationem practicam nisi per ordinationem ad ultimum finem, qui est bonum commune.
Quod autem hoc modo ratione constat, legis rationem habet. (Ia-IIae q. 90 a. 2 ad 3)
3 — Evenals door het beschouwende verstand niets vaststaat, tenzij door herleiding tot
de eerste onbewijsbare beginselen, zo ook staat niets vast door het praktische verstand,
tenzij in orde tot het laatste doel, nl. het algemeen welzijn. Wat op die manier vaststaat,
heeft kracht van wet.
Articulus 3. Kan ieder mens wetten maken?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod cuiuslibet ratio sit factiva legis. Dicit
enim apostolus, ad Rom. II, quod cum gentes, quae legem non habent, naturaliter ea
quae legis sunt faciunt, ipsi sibi sunt lex. Hoc autem communiter de omnibus dicit.
Ergo quilibet potest facere sibi legem. (Ia-IIae q. 90 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat iedere mens wetten kan maken. De Apostel immers zegt in zijn *Brief
aan de Romeinen* (2, 14) dat, wanneer de heidenen, die geen wet hebben, natuurlijkerwijs
doen wat in de wet staat, zij zelf hun eigen wet zijn. Welnu dit zegt hij in het algemeen
van allen. Dus kan iedereen zich een wet maken.
Praeterea, sicut philosophus dicit, in libro II Ethic., intentio legislatoris est
ut inducat hominem ad virtutem. Sed quilibet homo potest alium inducere ad virtutem.
Ergo cuiuslibet hominis ratio est factiva legis. (Ia-IIae q. 90 a. 3 arg. 2)
2 — Gelijk de Wijsgeer zegt in het II° Boek der *Ethica* (I° H., Nr 5), is het de bedoeling
van de wetgever de mens te voeren tot de deugd. Welnu iedere mens kan een ander voeren
tot de deugd. Dus kan iedereen wetten maken.
Praeterea, sicut princeps civitatis est civitatis gubernator, ita quilibet paterfamilias
est gubernator domus. Sed princeps civitatis potest legem in civitate facere. Ergo
quilibet paterfamilias potest in sua domo facere legem. (Ia-IIae q. 90 a. 3 arg. 3)
3 — Evenals de vorst van een staat de bestuurder ervan is, zo ook is iedere huisvader
de bestuurder van zijn huis. Welnu de vorst van een staat kan wetten maken in zijn
staat. Dus kan ook iedere huisvader wetten maken in zijn huis.
Sed contra est quod Isidorus dicit, in libro Etymol., et habetur in decretis, dist.
II, lex est constitutio populi, secundum quam maiores natu simul cum plebibus aliquid
sanxerunt. Non est ergo cuiuslibet facere legem. (Ia-IIae q. 90 a. 3 s. c.)
Maar daartegenover staat het gezegde van Isidorus in zijn *Etymologieën* (V° B., X°
H.), dat overgenomen is door de Decreten. 2° Deel: « De wet wordt samengesteld door
het volk, in zover de ouden tezamen met het volk iets bekrachtigen. » Dus kan niet
eenieder wetten maken.
Respondeo dicendum quod lex proprie, primo et principaliter respicit ordinem ad bonum
commune. Ordinare autem aliquid in bonum commune est vel totius multitudinis, vel
alicuius gerentis vicem totius multitudinis. Et ideo condere legem vel pertinet ad
totam multitudinem, vel pertinet ad personam publicam quae totius multitudinis curam
habet. Quia et in omnibus aliis ordinare in finem est eius cuius est proprius ille
finis. (Ia-IIae q. 90 a. 3 co.)
Het eigen voorwerp van de wet, waarop ze betrekking heeft, is het algemeen welzijn.
Iets ordenen echter met betrekking tot het algemeen welzijn komt, ofwel aan de gehele
gemeenschap, ofwel aan iemand, wiens zorg voor de gemeenschap is opgedragen, toe.
Bijgevolg kan ofwel de gehele gemeenschap, ofwel iemand, aan wie de zorg voor de gemeenschap
is toevertrouwd, wetten maken. Zo ook kan met betrekking tot ieder ding alleen hij
ordenen tot het doel, die daarover de beschikking heeft.
Ad primum ergo dicendum quod, sicut supra dictum est, lex est in aliquo non solum
sicut in regulante, sed etiam participative sicut in regulato. Et hoc modo unusquisque
sibi est lex, inquantum participat ordinem alicuius regulantis. Unde et ibidem subditur,
qui ostendunt opus legis scriptum in cordibus suis. (Ia-IIae q. 90 a. 3 ad 1)
1 — Zoals hierboven gezegd is (1° Art., antwoord op de 1° Bed.), kan de wet niet alleen
in iets zijn dat norm en maatstaf is, maar ook in iets dat gemeten en geregeld is.
In zoverre nu is iemand zijn eigen wet, als hij deel heeft aan de orde van iets regelends.
Vandaar laat de Apostel op de aangehaalde woorden volgen: « Die laten zien, dat het
werk der wet in hun hart geschreven staat. »
Ad secundum dicendum quod persona privata non potest inducere efficaciter ad virtutem.
Potest enim solum monere, sed si sua monitio non recipiatur, non habet vim coactivam;
quam debet habere lex, ad hoc quod efficaciter inducat ad virtutem, ut philosophus
dicit, in X Ethic. Hanc autem virtutem coactivam habet multitudo vel persona publica,
ad quam pertinet poenas infligere, ut infra dicetur. Et ideo solius eius est leges
facere. (Ia-IIae q. 90 a. 3 ad 2)
2 — Een privaat persoon kan iemand niet dwingen tot het onderhouden van de deugd; hij
kan er immers alleen toe aannemen, en indien zijn raad niet wordt opgevolgd, bezit
hij geen bindende kracht. Dit komt echter wel toe aan de wet, namelijk iemand dwingen
tot de deugd, gelijk de Wijsgeer zegt in het X° Boek der Ethica (IX° H., N° 12). Die
dwingende kracht berust ofwel bij de gemeenschap, ofwel bij een publiek persoon, die
straffen kan opleggen, zoals we verder zullen zien (XCII° Kw., 2° Art., Antw. op de
3° Bed.; II. II., LXIV° Kw., 3° Art.). Aan hen komt het dus toe, wetten te maken.
Ad tertium dicendum quod, sicut homo est pars domus, ita domus est pars civitatis,
civitas autem est communitas perfecta, ut dicitur in I Politic. Et ideo sicut bonum
unius hominis non est ultimus finis, sed ordinatur ad commune bonum; ita etiam et
bonum unius domus ordinatur ad bonum unius civitatis, quae est communitas perfecta.
Unde ille qui gubernat aliquam familiam, potest quidem facere aliqua praecepta vel
statuta; non tamen quae proprie habeant rationem legis. (Ia-IIae q. 90 a. 3 ad 3)
3 — Evenals de mens een deel is van het huisgezin, zo ook is het huisgezin een deel van
de staat. De staat nu is een volmaakte gemeenschap, zoals gezegd wordt in het I° Boek
der Politiek (I° H., Nr 1). En evenzo, gelijk het welzijn van een enkel mens niet
het laatste doel is, maar geordend tot het algemeen welzijn, zo ook is het welzijn
van een enkel huisgezin geordend tot het welzijn van de staat, welke een volmaakte
gemeenschap is. Vandaar kan iemand, die een familie bestuurt, wel enkele voorschriften
of regels maken, maar geen voorschriften, die kracht van wet hebben.
Articulus 4. Behoort de afkondiging tot het wezen van de wet?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod promulgatio non sit de ratione legis. Lex
enim naturalis maxime habet rationem legis. Sed lex naturalis non indiget promulgatione.
Ergo non est de ratione legis quod promulgetur. (Ia-IIae q. 90 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de afkondiging niet behoort tot het wezen van de wet. De natuurwet
immers is wet bij uitstek. Welnu de natuurwet heeft geen afkondiging nodig. Dus behoort
de afkondiging niet tot het wezen van de wet.
Praeterea, ad legem pertinet proprie obligare ad aliquid faciendum vel non faciendum.
Sed non solum obligantur ad implendam legem illi coram quibus promulgatur lex, sed
etiam alii. Ergo promulgatio non est de ratione legis. (Ia-IIae q. 90 a. 4 arg. 2)
2 — Tot het wezen van de wet behoort het verplichten om iets te doen of niet te doen.
Welnu niet alleen zij, voor wie de wet wordt afgekondigd, worden verplicht tot het
onderhouden van de wet, maar ook anderen. Bijgevolg behoort de afkondiging niet tot
het wezen van de wet.
Praeterea, obligatio legis extenditur etiam in futurum, quia leges futuris negotiis
necessitatem imponunt, ut iura dicunt. Sed promulgatio fit ad praesentes. Ergo promulgatio
non est de necessitate legis. (Ia-IIae q. 90 a. 4 arg. 3)
3 — De verplichting van de wet strekt zich ook uit over de toekomst, daar volgens de juristen
de wetten bindend zijn voor toekomstige zaken. Dus behoort de afkondiging niet noodzakelijk
tot de wet.
Sed contra est quod dicitur in decretis, IV dist., quod leges instituuntur cum promulgantur. (Ia-IIae q. 90 a. 4 s. c.)
Maar daar tegenover wordt in de Decreten (4e Deel) gezegd, dat de wetten gemaakt zijn,
zodra ze afgekondigd zijn.
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, lex imponitur aliis per modum regulae et
mensurae. Regula autem et mensura imponitur per hoc quod applicatur his quae regulantur
et mensurantur. Unde ad hoc quod lex virtutem obligandi obtineat, quod est proprium
legis, oportet quod applicetur hominibus qui secundum eam regulari debent. Talis autem
applicatio fit per hoc quod in notitiam eorum deducitur ex ipsa promulgatione. Unde
promulgatio necessaria est ad hoc quod lex habeat suam virtutem. Et sic ex quatuor
praedictis potest colligi definitio legis, quae nihil est aliud quam quaedam rationis
ordinatio ad bonum commune, ab eo qui curam communitatis habet, promulgata. (Ia-IIae q. 90 a. 4 co.)
Zoals hierboven gezegd is (1e Art.), wordt de wet aan anderen opgelegd bij wijze van
norm en maatstaf. Norm en maatstaf echter worden opgelegd, doordat ze worden toegepast
op datgene, wat geregeld en gemeten wordt. Vandaar moet de wet toegepast worden op
de mensen, die volgens de wet moeten geregeld worden, om bindingskracht te verkrijgen,
wat een eigenschap is van de wet, en die toepassing geschiedt door dat de wet door
de afkondiging bekend gemaakt wordt. Vandaar is de afkondiging voor de kracht van
de wet noodzakelijk. Uit de voorgaande artikels kunnen we nu de definitie van de wet
opzetten, die niets anders is dan een ordening van het verstand met betrekking tot
het algemeen welzijn, afgekondigd door degene die de zorg voor de gemeenschap heeft.
Ad primum ergo dicendum quod promulgatio legis naturae est ex hoc ipso quod Deus eam
mentibus hominum inseruit naturaliter cognoscendam. (Ia-IIae q. 90 a. 4 ad 1)
1 — De afkondiging van de natuurwet geschiedt doordat God haar in de harten van de mensen
heeft gelegd, zodat zij ze van nature kennen.
Ad secundum dicendum quod illi coram quibus lex non promulgatur, obligantur ad legem
servandam, inquantum in eorum notitiam devenit per alios, vel devenire potest, promulgatione
facta. (Ia-IIae q. 90 a. 4 ad 2)
2 — Zij, voor wie de wet niet is afgekondigd, worden verplicht tot onderhouding van de
wet, voor zover zij ze leren kennen door anderen, of voor zover zij ze kunnen kennen
door de gedane afkondiging.
Ad tertium dicendum quod promulgatio praesens in futurum extenditur per firmitatem
Scripturae, quae quodammodo semper eam promulgat. Unde Isidorus dicit, in II Etymol.,
quod lex a legendo vocata est, quia scripta est. (Ia-IIae q. 90 a. 4 ad 3)
3 — De afkondiging strekt zich over de toekomst uit, krachtens de duur van het schrift,
dat de wet altijd op enige wijze bekend maakt. Vandaar dat Isidorus in zijn *Etymologieën*
(II° B., X° H.) zegt: « Voorschrift komt van schrijven, omdat het geschreven is ».