QuaestioArticulus

Prima pars. Quaestio 22.
Over de Voorzienigheid van God .

Prooemium

Consideratis autem his quae ad voluntatem absolute pertinent, procedendum est ad ea quae respiciunt simul intellectum et voluntatem. Huiusmodi autem est providentia quidem respectu omnium; praedestinatio vero et reprobatio, et quae ad haec consequuntur, respectu hominum specialiter, in ordine ad aeternam salutem. Nam et post morales virtutes, in scientia morali, consideratur de prudentia, ad quam providentia pertinere videtur. Circa providentiam autem Dei quaeruntur quatuor. Primo, utrum Deo conveniat providentia. Secundo, utrum omnia divinae providentiae subsint. Tertio, utrum divina providentia immediate sit de omnibus. Quarto, utrum providentia divina imponat necessitatem rebus provisis. (Iª q. 22 pr.)

Tot hiertoe beschouwden we wat betrekking heeft op Gods wil. We moeten nu overgaan tot wat in verband staat, én met Gods verstand, én met zijn wil, nl. de voorzienigheid — die alles omvat, — de voorbestemming en de verwerping, met wat er uit volgt, — en die slaan slechts op de menschen, en dan nog alleen op de menschen, beschouwd met betrekking tot hun eeuwige zaligheid. Op die manier volgen we de indeeling der zedeleer, waarin ook na de zedelijke deugden de voorzichtigheid beschouwd wordt, waar de voorzienigheid toe herleid wordt. Over Gods voorzienigheid worden de volgende vragen gesteld: 1e) Moet de Voorzienigheid aan God worden toegeschreven? 2e) Is alles aan Gods Voorzienigheid onderworpen? 3e) Voorziet God zelf onmiddellijk in alles? 4e) Oefent Gods Voorzienigheid dwang uit op wat hij voorziet ?

Articulus 1.
Moet de Voorzienigheid aan God worden toegeschreven?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod providentia Deo non conveniat. Providentia enim, secundum Tullium, est pars prudentiae. Prudentia autem, cum sit bene consiliativa, secundum philosophum in VI Ethic., Deo competere non potest, qui nullum dubium habet, unde eum consiliari oporteat. Ergo providentia Deo non competit. (Iª q. 22 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de Voorzienigheid aan God niet mag toegeschreven worden. Volgens Tullius immers (De Inventione, IIe B.) is de voorzienigheid ondergeschikt aan de voorzichtigheid. Welnu, volgens de leer van den Wijsgeer in het VIe Boek der Ethica (Ve H., Nr 1), is het aan de voorzichtigheid eigen, goed te overleggen. Maar God moet nooit iets twijfelachtigs oplossen door overleg, en bijgevolg komt de voorzichtigheid Hem niet toe. Dus mag ook de voorzienigheid Hem niet toegeschreven worden.

Praeterea, quidquid est in Deo, est aeternum. Sed providentia non est aliquid aeternum, est enim circa existentia, quae non sunt aeterna, secundum Damascenum. Ergo providentia non est in Deo. (Iª q. 22 a. 1 arg. 2)

2 — Al wat in God is, is eeuwig. Welnu, de voorzienigheid is niet eeuwig, want ze heeft betrekking op de bestaande wezens, die niet eeuwig zijn, zooals Damascenus zegt in zijn Boek Over het Ware Geloof (IIe B., XXIXe H.). Bijgevolg komt de voorzienigheid niet toe aan God.

Praeterea, nullum compositum est in Deo. Sed providentia videtur esse aliquid compositum, quia includit in se voluntatem et intellectum. Ergo providentia non est in Deo. (Iª q. 22 a. 1 arg. 3)

3 — Niets wat samengesteld is, is in God. Welnu, de voorzienigheid is iets samengesteld, want ze sluit den wil in, en het verstand. Bijgevolg kan ze aan God niet worden toegekend.

Sed contra est quod dicitur Sap. XIV, tu autem, pater, gubernas omnia providentia. (Iª q. 22 a. 1 s. c.)

Dit is echter in strijd met de woorden uit het Boek der Wijsheid (14, 3) : « Gij, Vader, bestuurt alles door uw Voorzienigheid. »

Respondeo dicendum quod necesse est ponere providentiam in Deo. Omne enim bonum quod est in rebus, a Deo creatum est, ut supra ostensum est. In rebus autem invenitur bonum, non solum quantum ad substantiam rerum, sed etiam quantum ad ordinem earum in finem, et praecipue in finem ultimum, qui est bonitas divina, ut supra habitum est. Hoc igitur bonum ordinis in rebus creatis existens, a Deo creatum est. Cum autem Deus sit causa rerum per suum intellectum, et sic cuiuslibet sui effectus oportet rationem in ipso praeexistere, ut ex superioribus patet; necesse est quod ratio ordinis rerum in finem in mente divina praeexistat. Ratio autem ordinandorum in finem, proprie providentia est. Est enim principalis pars prudentiae, ad quam aliae duae partes ordinantur, scilicet memoria praeteritorum, et intelligentia praesentium; prout ex praeteritis memoratis, et praesentibus intellectis, coniectamus de futuris providendis. Prudentiae autem proprium est, secundum philosophum in VI Ethic., ordinare alia in finem; sive respectu sui ipsius, sicut dicitur homo prudens, qui bene ordinat actus suos ad finem vitae suae; sive respectu aliorum sibi subiectorum in familia vel civitate vel regno, secundum quem modum dicitur Matt. XXIV, fidelis servus et prudens, quem constituit dominus super familiam suam. Secundum quem modum prudentia vel providentia Deo convenire potest, nam in ipso Deo nihil est in finem ordinabile, cum ipse sit finis ultimus. Ipsa igitur ratio ordinis rerum in finem, providentia in Deo nominatur. Unde Boetius, IV de Consol., dicit quod providentia est ipsa divina ratio in summo omnium principe constituta, quae cuncta disponit. Dispositio autem potest dici tam ratio ordinis rerum in finem, quam ratio ordinis partium in toto. (Iª q. 22 a. 1 co.)

De Voorzienigheid moet aan God toegeschreven worden. Immers al het goede, dat in de dingen is, is door God geschapen, zooals hierboven bewezen werd (VIe Kw., IVe Art.). Welnu, de dingen zijn niet alleen goed naar hun zelfstandigheid, maar ook in zoover ze gericht zijn op een doel, voornamelijk op het laatste doel, dat Gods goed-zijn zelf is, zooals we vroeger bewezen hebben (XXIe Kw., IVe Art.). Daarom moet ook die doelsrichting van de schepselen haar oorzaak hebben in God. Welnu, God is de oorzaak van de dingen naar zijn verstand. Bijgevolg moet het begrip van elk uitwerksel in zijn geest voorafbestaan, zooals we hierboven bewezen hebben (XVe Kw., IIe Art., en XIXe Kw., IVe Art.). Dus moet ook het begrip van de doelsrichting der dingen vooraf in Gods geest bestaan. Maar de voorzienigheid is juist het begrip van de dingen die moeten gericht worden op een doel, en het voornaamste deel van de voorzienigheid is juist het vormen van het plan van de doelsrichting der dingen. De andere twee deelen, nl. het zich herinneneren aan het verleden, en het doorschouwen van de tegenwoordige omstandigheden, zijn ondergeschikt aan het vooruitzien, daar we juist door ons aan het verleden te herinneren en het tegenwoordige te doorschouwen, afleiden wat voor de toekomst moet voorzien worden. Welnu, zooals de Wijsgeer zegt in het VIe Boek der Ethica (Ve HL, Nr 5), is het aan de voorzichtigheid eigen, de dingen te richten op hun doel, hetzij in zijn eigen leven, zooals een voorzichtig man, die zijn daden richt op het einddoel van zijn leven, hetzij in het leven zijner onderdanen in het gezin, in de stad of in het rijk, zooals we lezen bij Mattheus (24, 45) : « Getrouwe en voorzichtige dienaar, die door zijn heer is aangesteld over zijn huis. » In zoover nu anderen op het doel gericht worden, kan de voorzichtigheid of voorzienigheid aan God worden toegeschreven, niet echter in zoover men zichzelf op een doel richt, want God is het laatste doel van alles, en daarom kan in Hem niets op het doel gericht worden. Het begrip van het richten der dingen op hun doe1, noemen wij juist de voorzienigheid van God. Daarom zegt Boëtius in zijn werk Over de Vertroosting van de Wijsbegeerte (VIe Afd.) : « De Voorzienigheid is het goddelijk verstand van den oppersten Vorst, dat alles regelt. » En dit regelen kan even goed de richting der dingen op hun doel betreffen, als de orde der deelen in het geheel.

Ad primum ergo dicendum quod, secundum philosophum in VI Ethic., prudentia proprie est praeceptiva eorum, de quibus eubulia recte consiliatur, et synesis recte iudicat. Unde, licet consiliari non competat Deo, secundum quod consilium est inquisitio de rebus dubiis; tamen praecipere de ordinandis in finem, quorum rectam rationem habet, competit Deo, secundum illud Psalmi, praeceptum posuit, et non praeteribit. Et secundum hoc competit Deo ratio prudentiae et providentiae. Quamvis etiam dici possit, quod ipsa ratio rerum agendarum consilium in Deo dicitur; non propter inquisitionem, sed propter certitudinem cognitionis, ad quam consiliantes inquirendo perveniunt. Unde dicitur Ephes. I, qui operatur omnia secundum consilium voluntatis suae. (Iª q. 22 a. 1 ad 1)

1 — Zooals de Wijsgeer zegt in het VIe Boek der Ethica (IXe H., Nr 7, en Xe H., Nr 1 en 2), komt het aan de voorzichtigheid toe, het uitvoeren te bevelen van den raad, die gegeven wordt door de eubulia of deugd van raad, en van het oordeel, dat geveld wordt door de synesis of vaardigheid tot juist beoordeelen. En hoewel God niet overlegt, in zoover elk overleg een onderzoek veronderstelt van twijfelachtige dingen, toch beveelt Hij met betrekking tot de door Hem vastgestelde doelsrichting der dingen, zooals we lezen, Psalm 148, 6 : « Hij heeft wetten gesteld, die niet zullen overtreden worden ». En op die wijze kunnen de voorzichtigheid en de voorzienigheid aan God worden toegeschreven. Men zou echter ook kunnen zeggen, dat het opvatten van een uit te voeren plan in God overleg genoemd wordt, niet in zoover God eerst heeft moeten overleggen, maar in zoover de zekerheid van zijn kennis even groot is als die welke anderen door overleg moeten verkrijgen. Daarom zegt de Apostel in zijn Brief aan de Ephesiërs (1, 11): « Hij werkt alles uit, volgens het overleggen van Zijn wil ».

Ad secundum dicendum quod ad curam duo pertinent, scilicet ratio ordinis, quae dicitur providentia et dispositio; et executio ordinis, quae dicitur gubernatio. Quorum primum est aeternum, secundum temporale. (Iª q. 22 a. 1 ad 2)

2 — oor iets zorg dragen sluit twee dingen in : ten eerste, het vaststellen van de te verwezenlijken orde, en ten tweede, het uitvoeren van die orde. Het eerste wordt voorzienigheid of regeling genoemd, en is eeuwig, het tweede is het bestuur, en geschiedt in den tijd.

Ad tertium dicendum quod providentia est in intellectu, sed praesupponit voluntatem finis, nullus enim praecipit de agendis propter finem, nisi velit finem. Unde et prudentia praesupponit virtutes morales, per quas appetitus se habet ad bonum, ut dicitur in VI Ethic. Et tamen si providentia ex aequali respiceret voluntatem et intellectum divinum, hoc esset absque detrimento divinae simplicitatis; cum voluntas et intellectus in Deo sint idem, ut supra dictum est. (Iª q. 22 a. 1 ad 3)

3 — De voorzienigheid is een akt van het verstand, maar ze veronderstelt, dat men het doel wil bereiken : niemand toch legt op om te handelen om een doel, wanneer hij niet eerst dat doel zelf wil. De voorzichtigheid veronderstelt dan ook de zedelijke deugden, waardoor het streefvermogen op het goede gericht wordt, zooals we lezen in het VIe Boek der Ethica (XIIIe H., Nr 6). Maar zelf indien de voorzienigheid in dezelfde verhouding stond tot Gods wil en tot Gods verstand, dan nog zou dit geen afbreuk doen aan zijn enkelvoudigheid, daar in God de wil en het verstand hetzelfde zijn, zooals we vroeger bewezen hebben (XIXe Kw., Ie Art.).

Articulus 2.
Is alles aan Gods Voorzienigheid onderworpen?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non omnia sint subiecta divinae providentiae. Nullum enim provisum est fortuitum. Si ergo omnia sunt provisa a Deo, nihil erit fortuitum, et sic perit casus et fortuna. Quod est contra communem opinionem. (Iª q. 22 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat alles aan Gods voorzienigheid niet onderworpen is. Inderdaad, wanneer iets voorzien is, dan is het niet toevallig. Indien dus alles door God voorzien is, dan is er niets toevallig, en is er noch kans noch toeval. Dat is echter tegen het algemeen gevoelen.

Praeterea, omnis sapiens provisor excludit defectum et malum, quantum potest, ab his quorum curam gerit. Videmus autem multa mala in rebus esse. Aut igitur Deus non potest ea impedire, et sic non est omnipotens, aut non de omnibus curam habet. (Iª q. 22 a. 2 arg. 2)

2 — Een wijs en vooruitziend man zal, naar best vermogen, al wat gebrekkig is en slecht weren uit zijn werk. Welnu, in de dingen zien we veel kwaad. Daaruit moeten we afleiden, óf dat God dit kwaad niet kan beletten, en dan is Hij niet almachtig, óf dat Zijn zorg zich niet tot alles uitstrekt.

Praeterea, quae ex necessitate eveniunt, providentiam seu prudentiam non requirunt, unde, secundum philosophum in VI Ethic., prudentia est recta ratio contingentium, de quibus est consilium et electio. Cum igitur multa in rebus ex necessitate eveniant, non omnia providentiae subduntur. (Iª q. 22 a. 2 arg. 3)

3 — Wat noodzakelijk gebeurt, vraagt noch voorzienigheid noch voorzichtig beleid. De voorzichtigheid is dan ook volgens den Wijsgeer (VIe Boek der Ethica, Ve H., Nr 1) de rechte schikking der toevallige dingen, die aan overleg en keus zijn onderworpen. Welnu, veel dingen gebeuren noodzakelijk. Bijgevolg valt niet alles onder de voorzienigheid.

Praeterea, quicumque dimittitur sibi, non subest providentiae alicuius gubernantis. Sed homines sibi ipsis dimittuntur a Deo, secundum illud Eccli. XV, Deus ab initio constituit hominem, et reliquit eum in manu consilii sui; et specialiter mali, secundum illud, dimisit illos secundum desideria cordis eorum. Non igitur omnia divinae providentiae subsunt. (Iª q. 22 a. 2 arg. 4)

4 — Wat aan zichzelf is overgelaten, valt onder niemands besturende voorzienigheid. Welnu de menschen worden door God aan zichzelf overgelaten, naar het woord van Prediker (15, 14) : « In den beginne schiep God den mensch, en Hij liet hem over aan zijn eigen beleid ». Dit is bizonder waar voor de boozen, volgens het woord van Psalm 80, 13 : « Hij liet hen over aan het verlangen van hun hart ». Dus strekt Gods voorzienigheid zich niet over alles uit.

Praeterea, apostolus, I Cor. IX, dicit quod non est Deo cura de bobus, et eadem ratione, de aliis creaturis irrationalibus. Non igitur omnia subsunt divinae providentiae. (Iª q. 22 a. 2 arg. 5)

5 — Naar het getuigenis van den Apostel (Ie Corinthiërbrief, 9, 9) bekommert God zich niet om de ossen, en dus ook niet om de andere redelooze dieren. Bijgevolg is niet alles aan Gods voorzienigheid onderworpen.

Sed contra est quod dicitur Sap. VIII, de divina sapientia, quod attingit a fine usque ad finem fortiter, et disponit omnia suaviter. (Iª q. 22 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter het getuigenis van het Boek der Wijsheid, dat van de goddelijke Wijsheid zegt, dat ze, van het eene uiteinde der schepping tot het andere, alles met kracht omvat en met zachtheid regelt. (8, 1.)

Respondeo dicendum quod quidam totaliter providentiam negaverunt, sicut Democritus et Epicurei, ponentes mundum factum esse casu. Quidam vero posuerunt incorruptibilia tantum providentiae subiacere; corruptibilia vero, non secundum individua, sed secundum species; sic enim incorruptibilia sunt. Ex quorum persona dicitur Iob XXII, nubes latibulum eius, et circa cardines caeli perambulat, neque nostra considerat. A corruptibilium autem generalitate excepit Rabbi Moyses homines, propter splendorem intellectus, quem participant, in aliis autem individuis corruptibilibus, aliorum opinionem est secutus. Sed necesse est dicere omnia divinae providentiae subiacere, non in universali tantum, sed etiam in singulari. Quod sic patet. Cum enim omne agens agat propter finem, tantum se extendit ordinatio effectuum in finem, quantum se extendit causalitas primi agentis. Ex hoc enim contingit in operibus alicuius agentis aliquid provenire non ad finem ordinatum, quia effectus ille consequitur ex aliqua alia causa, praeter intentionem agentis. Causalitas autem Dei, qui est primum agens, se extendit usque ad omnia entia, non solum quantum ad principia speciei, sed etiam quantum ad individualia principia, non solum incorruptibilium, sed etiam corruptibilium. Unde necesse est omnia quae habent quocumque modo esse, ordinata esse a Deo in finem, secundum illud apostoli, ad Rom. XIII, quae a Deo sunt, ordinata sunt. Cum ergo nihil aliud sit Dei providentia quam ratio ordinis rerum in finem, ut dictum est, necesse est omnia, inquantum participant esse, intantum subdi divinae providentiae. Similiter etiam supra ostensum est quod Deus omnia cognoscit, et universalia et particularia. Et cum cognitio eius comparetur ad res sicut cognitio artis ad artificiata, ut supra dictum est, necesse est quod omnia supponantur suo ordini, sicut omnia artificiata subduntur ordini artis. (Iª q. 22 a. 2 co.)

Er is omtrent dit punt meeningverschil : sommigen immers, zooals Democrites en de Epicuriërs, hebben de voorzienigheid volkomen geloochend, want ze meenden, dat de wereld toevallig ontstaan was. Anderen zeiden, dat alleen de onvergankelijke dingen onder Gods voorzienigheid vallen, van de vergankelijke zouden alleen de soorten, en niet de individuen onder de voorzienigheid vallen: de soorten immers zijn onvergankelijk. Van hun standpunt uit zegt het Boek Job (22, 14) : « In de wolken verbergt Hij zich, en om de steunpunten des hemels wandelt Hij, maar met onze zaken bemoeit Hij zich niet. » Daarenboven zonderde Rabbi Mozes de menschen nog uit, omdat ze deel hebben aan den glans van het verstandslicht; maar voor de andere individueele vergankelijke dingen volgde hij de hierboven vermelde meening. Men moet echter aannemen, dat alle dingen onder Gods voorzienigheid vallen, niet alleen in het algemeen, maar ook in het bizonder. Dat blijkt als volgt : ieder werkend wezen handelt om een doel; bijgevolg strekt de doelsrichting der uitwerkselen zich even ver uit als de oorzakelijkheid der eerste oorzaak. Is er immers in de uitwerkselen van een werkende oorzaak iets niet op het doel gericht, dan gebeurt dit door een vreemde oorzaak, en is het tegen de bedoeling der eerste oorzaak. Welnu, God is de eerste werkende oorzaak, en daarom strekt zijn oorzakelijkheid zich uit tot alle dingen, niet alleen met betrekking tot de soortbeginselen, maar ook met betrekking tot de individueele beginselen, niet alleen tot de onvergankelijke dingen, maar ook tot de vergankelijke. Bijgevolg moet alles, wat op welke wijze ook is, door God op een doel gericht zijn, zooals de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (13, 1) : « Wat uit God is, is geordend ». En aangezien, zooals we in het vorig Artikel zeiden, de Voorzienigheid niets anders is dan het plan van de doelsrichting der dingen, moet noodzakelijk alles onder Gods voorzienigheid vallen, in zoover het deelachtig is aan het zijn. Daarbij komt nog wat we vroeger hebben aangetoond (XIVe Kw., IIe Art.), hoe God nl. alles kent, én het algemeene, én het bizondere. Welnu, tusschen Gods kennis en de dingen bestaat dezelfde verhouding als tusschen het oerbeeld van den kunstenaar en het kunstwerk. Evenals dus ieder kunstwerk onderworpen is aan de schikking van den kunstenaar, zoo ook is alles aan Gods schikking onderworpen.

Ad primum ergo dicendum quod aliter est de causa universali, et de causa particulari. Ordinem enim causae particularis aliquid potest exire, non autem ordinem causae universalis. Non enim subducitur aliquid ab ordine causae particularis, nisi per aliquam aliam causam particularem impedientem, sicut lignum impeditur a combustione per actionem aquae. Unde, cum omnes causae particulares concludantur sub universali causa, impossibile est aliquem effectum ordinem causae universalis effugere. Inquantum igitur aliquis effectus ordinem alicuius causae particularis effugit, dicitur esse casuale vel fortuitum, respectu causae particularis, sed respectu causae universalis, a cuius ordine subtrahi non potest, dicitur esse provisum. Sicut et concursus duorum servorum, licet sit casualis quantum ad eos, est tamen provisus a domino, qui eos scienter sic ad unum locum mittit, ut unus de alio nesciat. (Iª q. 22 a. 2 ad 1)

1 — De werking van een algemeene oorzaak is niet zooals die van een bizondere oorzaak. Iets kan immers wel buiten de orde vallen van een bizondere oorzaak, maar niet buiten de orde van de algemeene oorzaak. Wanneer iets buiten de orde valt van een bizondere oorzaak, dan ligt dat aan de verhinderende werking van een bizondere oorzaak; zoo verhindert bv. de vochtigheid, dat het vuur het hout verbrandt. Maar al de bizondere oorzaken worden door de algemeene oorzaak omvat, en daarom kan geen enkel uitwerksel buiten de orde vallen van de algemeene oorzaak. Toeval of kans bestaat alleen met betrekking tot een bizondere oorzaak, in zoover een of ander uitwerksel buiten de orde valt van die bizondere oorzaak, maar met betrekking tot de algemeene oorzaak is het iets wat voorzien was, daar het buiten haar orde niet valt. Wanneer bv. twee knechten elkander ontmoeten, dan kan dat toevallig zijn voor hen, maar dan is dat iets wat voorzien was door hun meester, die hen buiten hun medeweten met opzet naar een zelfde plaats heeft gezonden.

Ad secundum dicendum quod aliter de eo est qui habet curam alicuius particularis, et de provisore universali. Quia provisor particularis excludit defectum ab eo quod eius curae subditur, quantum potest, sed provisor universalis permittit aliquem defectum in aliquo particulari accidere, ne impediatur bonum totius. Unde corruptiones et defectus in rebus naturalibus, dicuntur esse contra naturam particularem; sed tamen sunt de intentione naturae universalis, inquantum defectus unius cedit in bonum alterius, vel etiam totius universi; nam corruptio unius est generatio alterius, per quam species conservatur. Cum igitur Deus sit universalis provisor totius entis, ad ipsius providentiam pertinet ut permittat quosdam defectus esse in aliquibus particularibus rebus, ne impediatur bonum universi perfectum. Si enim omnia mala impedirentur, multa bona deessent universo, non enim esset vita leonis, si non esset occisio animalium; nec esset patientia martyrum, si non esset persecutio tyrannorum. Unde dicit Augustinus in Enchirid. Deus omnipotens nullo modo sineret malum aliquod esse in operibus suis, nisi usque adeo esset omnipotens et bonus, ut bene faceret etiam de malo. Ex his autem duabus rationibus quas nunc solvimus, videntur moti fuisse, qui divinae providentiae subtraxerunt corruptibilia, in quibus inveniuntur casualia et mala. (Iª q. 22 a. 2 ad 2)

2 — Men moet anders oordeelen over hem, die slechts voor een bepaald ding moet zorgen, en over hem, die in alles moet voorzien. Hij, wiens voorzienigheid tot een bepaalden kring beperkt is, zal naar best vermogen ieder gebrek weren uit de dingen die aan zijn zorg zijn toevertrouwd. Maar hij wiens voorzienigheid zich over alles uitstrekt, laat soms een of ander gebrek toe in dit of dat wezen, opdat het goed van het geheel niet zou verhinderd worden. Wat in de natuurdingen vergaat of gebrekkig is, kan wel nadeelig zijn voor een bepaalde natuur, maar is gewild door de universeele natuur, omdat het nadeel van het een in het voordeel is van het ander of van het geheel, want het vergaan van het een is de oorzaak van het ontstaan van het ander, en daardoor blijft de soort bewaard. Welnu, God voorziet in alles, en daarom is het aan zijn voorzienigheid eigen, in een of ander bepaald ding een gebrek toe te laten, opdat het goed van het geheel niet zou verhinderd worden. Wanneer immers ieder kwaad voorkomen werd, dan ontbrak er ook veel goeds. Zonder den dood van andere dingen was b.v. het leven van den leeuw niet mogelijk, en nooit had het geduld der martelaren geschitterd, zonder de vervolging der tyrannen. Augustinus zegt dan ook in zijn Enchiridion (XIe H.) : « Nooit liet de almachtige God een kwaad in zijn werk toe, als Hij niet machtig en goed genoeg was om het goed te trekken uit het kwaad ».

Ad tertium dicendum quod homo non est institutor naturae, sed utitur in operibus artis et virtutis, ad suum usum, rebus naturalibus. Unde providentia humana non se extendit ad necessaria, quae ex natura proveniunt. Ad quae tamen se extendit providentia Dei, qui est auctor naturae. Et ex hac ratione videntur moti fuisse, qui cursum rerum naturalium subtraxerunt divinae providentiae, attribuentes ipsum necessitati materiae; ut Democritus, et alii naturales antiqui. (Iª q. 22 a. 2 ad 3)

3 — De mensch heeft de natuur niet gemaakt, maar hij gebruikt de natuurdingen alleen om zijn kunstwerken uit te voeren of om de deugd te beoefenen. Zijn voorzienigheid strekt zich dan ook niet uit tot het noodzakelijke, dat in de natuur zelf zijn grondslag heeft. God echter is de schepper van de natuur, en daarom strekt zijn voorzienigheid zich ook tot het noodzakelijke uit. Democrates en de andere oude natuurphilosofen schijnen door die bedenking er toe gekomen te zijn, den gang der natuurdingen aan Gods voorzienigheid te onttrekken, en hem te herleiden tot het determinisme van de stoffelijke wereld.

Ad quartum dicendum quod in hoc quod dicitur Deum hominem sibi reliquisse, non excluditur homo a divina providentia, sed ostenditur quod non praefigitur ei virtus operativa determinata ad unum, sicut rebus naturalibus; quae aguntur tantum, quasi ab altero directae in finem, non autem seipsa agunt, quasi se dirigentia in finem, ut creaturae rationales per liberum arbitrium, quo consiliantur et eligunt. Unde signanter dicit, in manu consilii sui. Sed quia ipse actus liberi arbitrii reducitur in Deum sicut in causam, necesse est ut ea quae ex libero arbitrio fiunt, divinae providentiae subdantur, providentia enim hominis continetur sub providentia Dei, sicut causa particularis sub causa universali. Hominum autem iustorum quodam excellentiori modo Deus habet providentiam quam impiorum, inquantum non permittit contra eos evenire aliquid, quod finaliter impediat salutem eorum, nam diligentibus Deum omnia cooperantur in bonum, ut dicitur Rom. VIII. Sed ex hoc ipso quod impios non retrahit a malo culpae, dicitur eos dimittere. Non tamen ita, quod totaliter ab eius providentia excludantur, alioquin in nihilum deciderent, nisi per eius providentiam conservarentur. Et ex hac ratione videtur motus fuisse Tullius, qui res humanas, de quibus consiliamur, divinae providentiae subtraxit. (Iª q. 22 a. 2 ad 4)

4 — Wanneer de Schrift zegt, dat God den mensch aan zichzelf heeft overgelaten, dan wordt daarmee niet bedoeld, dat de mensch aan Gods voorzienigheid onttrokken is, wel echter, dat zijn kracht niet tot één objekt beperkt is, zooals die van de natuurdingen, die alleen voortbewogen worden in zoover een ander ze op een doel richt, en zichzelf niet voorbewegen zooals wezens die zich op een doel richten, wat de verstandelijke wezens kunnen doen, die dan ook kunnen overleggen en iets uitkiezen. Daarom zegt de Schrift uitdrukkelijk : « God liet den mensch over aan zijn eigen beleid ». Niettemin vallen die vrije handelingen noodzakelijk onder Gods voorzienigheid, omdat ze tot God moeten herleid worden als tot hun oorzaak. De voorzienigheid van den mensch is aan Gods voorzienigheid ondergeschikt, zooals een bizondere oorzaak aan de algemeene oorzaak. God zorgt echter beter voor de rechtvaardigen dan voor de goddeloozen, want de rechtvaardigen beschut Hij tegen alles wat hun eeuwig heil voor goed in gevaar zou brengen, want « voor hen die God beminnen, werkt alles mee ten goede », lezen we in den Brief aan de Romeinen (8, 28). Men zegt echter, dat God de goddeloozen aan hun lot overlaat, omdat Hij hun zonden niet belet, maar niet als zouden ze geheel buiten Gods voorzienigheid vallen: indien God ze immers door zijn voorzienigheid niet bewaarde, vervielen ze in het niet. Tullius schijnt aan die bedenking toegegeven te hebben, wanneer hij ’s menschen vrije handelingen, die het voorwerp zijn van ons overleg, aan Gods voorzienigheid onttrok.

Ad quintum dicendum quod, quia creatura rationalis habet per liberum arbitrium dominium sui actus, ut dictum est, speciali quodam modo subditur divinae providentiae; ut scilicet ei imputetur aliquid ad culpam vel ad meritum, et reddatur ei aliquid ut poena vel praemium. Et quantum ad hoc curam Dei apostolus a bobus removet. Non tamen ita quod individua irrationalium creaturarum ad Dei providentiam non pertineant, ut Rabbi Moyses existimavit. (Iª q. 22 a. 2 ad 5)

5 — De redelijke schepselen zijn door hun wilsvrijheid meester over hun handelingen, zooals we hierboven gezegd hebben (XIXe Kw., Xe Art.). En daarom vallen ze op bizondeie wijze onder Gods voorzienigheid, en worden schuld en verdienste hen aangerekend, en worden ze gestraft of beloond. Dat doet God inderdaad niet voor de ossen, zooals de Apostel zegt. Daar volgt echter niet uit, dat de redelooze schepselen in het geheel niet onder Gods voorzienigheid vallen, zooals Rabbi Mozes beweerde.

Articulus 3.
Voorziet God onmiddellijk in alles?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Deus non immediate omnibus provideat. Quidquid enim est dignitatis, Deo est attribuendum. Sed ad dignitatem alicuius regis pertinet, quod habeat ministros, quibus mediantibus subditis provideat. Ergo multo magis Deus non immediate omnibus providet. (Iª q. 22 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat God niet onmiddellijk in alles voorziet. Iedere waardigheid immers moet aan God worden toegeschreven. Welnu, het behoort tot de waardigheid van een koning, dienaars te hebben, opdat hij door hun bemiddeling in de noodwendigheden zijner onderdanen zou kunnen voorzien. Bijgevolg zou het voor God veel minder passend zijn, wanneer Hij zelf onmiddellijk in alles voorzag.

Praeterea, ad providentiam pertinet res in finem ordinare. Finis autem cuiuslibet rei est eius perfectio et bonum. Ad quamlibet autem causam pertinet effectum suum perducere ad bonum. Quaelibet igitur causa agens est causa effectus providentiae. Si igitur Deus omnibus immediate providet, subtrahuntur omnes causae secundae. (Iª q. 22 a. 3 arg. 2)

2 — Het komt aan de voorzienigheid toe, de dingen te richten op hun doel. Welnu, het doel van ieder wezen is zijn volmaaktheid en zijn goed. Maar het komt aan elke oorzaak toe, haar uitwerksel te brengen tot wat goed is, en zóó brengt ieder werkende oorzaak hetzelfde gevolg voort als de voorzienigheid. Indien bijgevolg God onmiddellijk in alles voorziet, dan vallen alle ondergeschikte oorzaken weg.

Praeterea, Augustinus dicit, in Enchirid., quod melius est quaedam nescire quam scire, ut vilia, et idem dicit philosophus, in XII Metaphys. Sed omne quod est melius, Deo est attribuendum. Ergo Deus non habet immediate providentiam quorundam vilium et malorum. (Iª q. 22 a. 3 arg. 3)

3 — « Het is beter zekere zaken, bv. het lagere, niet te kennen, dan ze wel te kennen », zegt Augustinus in zijn Enchiridion (XVIIe H.), en zoo denkt ook de Wijsgeer er over (XIIe Boek der Metaphysica; XIe B., IXe H., Nr 3). Wij moeten dus aan God toeschrijven wat het beste is. Maar daaruit volgt, dat Hij niet onmiddeiïijk zorgt voor wat laag of slecht is.

Sed contra est quod dicitur Iob XXXIV, quem constituit alium super terram? Aut quem posuit super orbem quem fabricatus est? Super quo dicit Gregorius, mundum per seipsum regit, quem per seipsum condidit. (Iª q. 22 a. 3 s. c.)

We lezen echter in het Boek Job (34, 13) : « Aan wie gaf Hij het bestuur van de wereld in handen, of wie heeft Hij aangesteld over het heelal, het werk zijner handen ? » En Gregorius teekent daar in zijn Zedekundige Leerredenen bij aan (XXIVe B., XXe H.) : «Door zichzelf bestuurt Hij de wereld, dien Hij door zichzelf geschapen heeft. »

Respondeo dicendum quod ad providentiam duo pertinent, scilicet ratio ordinis rerum provisarum in finem; et executio huius ordinis, quae gubernatio dicitur. Quantum igitur ad primum horum, Deus immediate omnibus providet. Quia in suo intellectu habet rationem omnium, etiam minimorum, et quascumque causas aliquibus effectibus praefecit, dedit eis virtutem ad illos effectus producendos. Unde oportet quod ordinem illorum effectuum in sua ratione praehabuerit. Quantum autem ad secundum, sunt aliqua media divinae providentiae. Quia inferiora gubernat per superiora; non propter defectum suae virtutis, sed propter abundantiam suae bonitatis, ut dignitatem causalitatis etiam creaturis communicet. Et secundum hoc excluditur opinio Platonis, quam narrat Gregorius Nyssenus, triplicem providentiam ponentis. Quarum prima est summi Dei, qui primo et principaliter providet rebus spiritualibus; et consequenter toti mundo, quantum ad genera, species et causas universales. Secunda vero providentia est, qua providetur singularibus generabilium et corruptibilium, et hanc attribuit diis qui circumeunt caelos, idest substantiis separatis, quae movent corpora caelestia circulariter. Tertia vero providentia est rerum humanarum, quam attribuebat Daemonibus, quos Platonici ponebant medios inter nos et deos, ut narrat Augustinus IX de Civ. Dei. (Iª q. 22 a. 3 co.)

Twee dingen behooren tot de voorzienigheid : ten eerste, het plan van de doelsrichting der dingen, die onder de voorzienigheid vallen; ten tweede, het uitvoeren van dit plan, of het bestuur. Wat het eerste bereft, voorziet God onmiddellijk in alles. In zijn verstand immers draagt Hij het oerbeeld van alle wezens, zelfs van de kleinste, en welke oorzaken Hij ook voor sommige gevolgen voorzag, steeds gaf hij hun de kracht om die gevolgen voort te brengen. Bijgevolg moet de orde van de gevolgen vooraf bestaan. — Maar wat het tweede betreft, staat er iets tusschen Gods voorzienigheid en het uitvoeren van dit plan. God bestuurt immers het lagere door het hoogere, niet omdat Gods kracht te kort schiet, maar omdat God, in zijn overgroote goedheid, ook zijn schepselen deelachtig wil maken aan de waardigheid der oorzakelijkheid. Daarom verwerpen wij de leer van Plato, die volgens Gregorius Nyssenus (Nemesius, Over den Mensch, VIIIe Boek) een driedubbele voorzienigheid aannam. De eerste was de voorzienigheid van God, waardoor God op de eerste en voornaamste plaats zorg draagt voor de geestelijke wezens, en daarna voor heel de wereld, met het oog op de geslachten, soorten en algemeene oorzaken. De tweede voorzienigheid zorgt voor de afzonderlijke dingen, die ontstaan en vergaan, en die voorzienigheid schreef Plato aan de goden toe, die zich om de hemelen bewegen, d. i. aan de onstoffelijke zelfstandigheden, die de hemellichamen kringvormig bewegen. De derde voorzienigheid bestaat in de zorg voor de menschelijke dingen, en die komt toe aan de daemonen, die volgens de Platonici tusschen ons en de goden staan, zooals Augustinus mededeelt in zijn Boek « De Stad Gods » (IXe Boek, Ie en IIe H.).

Ad primum ergo dicendum quod habere ministros executores suae providentiae, pertinet ad dignitatem regis, sed quod non habeat rationem eorum quae per eos agenda sunt, est ex defectu ipsius. Omnis enim scientia operativa tanto perfectior est, quanto magis particularia considerat, in quibus est actus. (Iª q. 22 a. 3 ad 1)

1 — Ofschoon het tot de waardigheid van een koning behoort dienaars te hebben, die uitvoeren wat hij voorzag, toch is het een onvolmaaktheid, dat hij in zijn geest geen volledig beeld draagt van wat zij moeten verrichten. Ieder praktische kennis is des te volmaakter, naarmate zij meer de bizondere omstandigheden beschouwt waarin we moeten handelen.

Ad secundum dicendum quod per hoc quod Deus habet immediate providentiam de rebus omnibus, non excluduntur causae secundae, quae sunt executrices huius ordinis, ut ex supra dictis patet. (Iª q. 22 a. 3 ad 2)

2 — Omdat God onmiddellijk in alles voorziet, daarom houdt elke geschapen oorzakelijkheid nog niet op, want de tweede oorzaken voeren de orde uit, die God heeft vastgesteld. Dat hebben we hierboven bewezen (Leerstelling).

Ad tertium dicendum quod nobis melius est non cognoscere mala et vilia, inquantum per ea impedimur a consideratione meliorum, quia non possumus simul multa intelligere, et inquantum cogitatio malorum pervertit interdum voluntatem in malum. Sed hoc non habet locum in Deo, qui simul omnia uno intuitu videt, et cuius voluntas ad malum flecti non potest. (Iª q. 22 a. 3 ad 3)

3 — Voor ons is het beter het kwaad en het lagere niet te kennen, én omdat die kennis ons afhoudt van de beschouwing van het hoogere — wij kunnen immers niet meerdere zaken tegelijk beschouwen —, én omdat de gedachte aan het kwaad onzen wil aanlokt tot het kwaad. Maar dat heeft God niet te vreezen, want in één enkelen blik kent Hij alles, en nooit kan zijn wil tot het kwade worden aangetrokken.

Articulus 4.
Oefent Gods Voorzienigheid dwang uit op de dingen, waartoe ze zich uitstrekt?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod divina providentia necessitatem rebus provisis imponat. Omnis enim effectus qui habet aliquam causam per se, quae iam est vel fuit, ad quam de necessitate sequitur, provenit ex necessitate, ut philosophus probat in VI Metaphys. Sed providentia Dei, cum sit aeterna, praeexistit; et ad eam sequitur effectus de necessitate; non enim potest divina providentia frustrari. Ergo providentia divina necessitatem rebus provisis imponit. (Iª q. 22 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Gods voorzienigheid dwang uitoefent op de dingen waartoe ze zich uitstrekt. Elk gevolg immers, dat een eigen oorzaak heeft, die is, of geweest is, en waaruit dit gevolg noodzakelijk voortvloeit, ontstaat, noodzakelijk, zooals de Wijsgeer bewijst in het VIe Boek der Metaphysica (Ve B., IIIe H.). Welnu, Gods voorzienigheid is eeuwig, ze bestaat vóór haar gevolgen, en die vloeien er noodzakelijk uit voort, want niets kan Gods voorzienigheid belemmeren. Bijgevolg oefent de Voorzienigheid dwang uit op de dingen, waartoe ze zich uitstrekt.

Praeterea, unusquisque provisor stabilit opus suum quantum potest, ne deficiat. Sed Deus est summe potens. Ergo necessitatis firmitatem rebus a se provisis tribuit. (Iª q. 22 a. 4 arg. 2)

2 — Een vooruitziend man waarborgt zijn werk tegen verval, zooveel hij kan. Bijgevolg schenkt God, die de opperste almacht is, onwrikbare noodzakelijkheid aan de dingen, die onder zijn voorzienigheid vallen.

Praeterea, Boetius dicit, IV de Consol., quod fatum, ab immobilis providentiae proficiscens exordiis, actus fortunasque hominum indissolubili causarum connexione constringit. Videtur ergo quod providentia necessitatem rebus provisis imponat. (Iª q. 22 a. 4 arg. 3)

3 — Naar Boëtius (Over de Vertroosting van de Wijsbegeerte, VI) gaat het noodlot uit van de onveranderlijke voorzienigheid, het knelt het menschelijk handelen en gebeuren in de onverbreekbare banden der aaneenschakeling van oorzaken. De voorzienigheid oefent dus dwang uit op de dingen, die er onder vallen.

Sed contra est quod dicit Dionysius, IV cap. de Div. Nom., quod corrumpere naturam non est providentiae. Hoc autem habet quarundam rerum natura, quod sint contingentia. Non igitur divina providentia necessitatem rebus imponit, contingentiam excludens. (Iª q. 22 a. 4 s. c.)

Dit is echer in strijd met het gezag van Dionysius, die in zijn Boek Over de Goddelijke Namen (IVe H.) zegt, dat de voorzienigheid de natuur niet mag vernietigen. Welnu, zekere dingen zijn van nature wisselvallig. Dus kan Gods voorzienigheid met een zoodanigen dwang op de dingen uitoefenen, dat alle wisselvalligheid wordt uitgesloten.

Respondeo dicendum quod providentia divina quibusdam rebus necessitatem imponit, non autem omnibus, ut quidam crediderunt. Ad providentiam enim pertinet ordinare res in finem. Post bonitatem autem divinam, quae est finis a rebus separatus, principale bonum in ipsis rebus existens, est perfectio universi, quae quidem non esset, si non omnes gradus essendi invenirentur in rebus. Unde ad divinam providentiam pertinet omnes gradus entium producere. Et ideo quibusdam effectibus praeparavit causas necessarias, ut necessario evenirent; quibusdam vero causas contingentes, ut evenirent contingenter, secundum conditionem proximarum causarum. (Iª q. 22 a. 4 co.)

De voorzienigheid maakt wel sommige dingen noodzakelijk, maar niet alle, zooals sommigen meenden. Het komt immers aan de voorzienigheid toe, de dingen te richten op hun doel. Welnu, na Gods goed-zijn, dat een doel is, onderscheiden van het geschapene, is het voornaamste goed, dat in de dingen zelf is, de volmaaktheid van het heelal. Maar die volmaaktheid zou niet bestaan, wanneer niet al de verschillende wezensrangen in de dingen verwezenlijkt waren. Het komt dus aan de goddelijke voorzienigheid toe, al de verschillende wezensrangen in de wezens voort te brengen. Daarom voorzag Hij voor sommige gevolgen noodzakelijke oorzaken, opdat ze noodzakelijk zouden veroorzaakt worden, voor andere gevolgen echter voorzag Hij wisselvallige oorzaken, opdat ze wisselvallig zouden ontstaan, naar den aard van hun onmiddellijke oorzaken.

Ad primum ergo dicendum quod effectus divinae providentiae non solum est aliquid evenire quocumque modo; sed aliquid evenire vel contingenter vel necessario. Et ideo evenit infallibiliter et necessario, quod divina providentia disponit evenire infallibiliter et necessario, et evenit contingenter, quod divinae providentiae ratio habet ut contingenter eveniat. (Iª q. 22 a. 4 ad 1)

1 — Het gevolg van de goddelijke voorzienigheid is niet, dat de dingen, hoe dan ook, ontstaan, maar wel, dat ze óf wisselvallig, óf noodzakelijk ontstaan. Bepaalt de voorzienigheid, dat iets onfeilbaar en noodzakelijk zal gebeuren, dan gebeurt het onfeilbaar en noodzakelijk; maar bepaalt zij, dat iets wisselvallig zal ontstaan, dan ontstaat het wisselvallig.

Ad secundum dicendum quod in hoc est immobilis et certus divinae providentiae ordo, quod ea quae ab ipso providentur, cuncta eveniunt eo modo quo ipse providet, sive necessario sive contingenter. (Iª q. 22 a. 4 ad 2)

2 — Hierin is de orde van Gods voorzienigheid onveranderlijk en zeker, dat alles gebeurt, zooals God het voorzag, óf noodzakelijk, óf wisselvallig.

Ad tertium dicendum quod indissolubilitas illa et immutabilitas quam Boetius tangit, pertinet ad certitudinem providentiae, quae non deficit a suo effectu, neque a modo eveniendi quem providit, non autem pertinet ad necessitatem effectuum. Et considerandum est quod necessarium et contingens proprie consequuntur ens, inquantum huiusmodi. Unde modus contingentiae et necessitatis cadit sub provisione Dei, qui est universalis provisor totius entis, non autem sub provisione aliquorum particularium provisorum. (Iª q. 22 a. 4 ad 3)

3 — Die onverbreekbaarheid en onveranderlijkheid waarover Boëtius spreekt, betreffen de zekerheid der voorzienigheid, waarvan het uitwerksel onfeilbaar volgt, en wel op die wijze, waarop het volgens de voorzienigheid moet ontstaan. Maar Boëtius bedoelt niet, dat de uitwerkselen zelf noodzakelijk zijn. We kunnen daaromtrent nog aanmerken, dat noodzakelijkheid en wisselvalligheid volgen op het wezen als zoodanig, en daarom valt het noodzakelijkpf wisselvallig karakter van iets onder de goddelijke voorzienigheid, die zich uitstrekt tot geheel het zijnde, hoewel ze niet vallen onder die voorzienigheid, die zich alleen uitstrekt tot een bepaalden kring.