QuaestioArticulus

Prima pars. Quaestio 24.
Over het Boek des Levens .

Prooemium

Deinde considerandum est de libro vitae. Et circa hoc quaeruntur tria. Primo, quid sit liber vitae. Secundo, cuius vitae sit liber. Tertio, utrum aliquis possit deleri de libro vitae. (Iª q. 24 pr.)

Nu handelen we over het Boek des Levens, en daarover stellen we drie vragen : 1e) Wat is het Boek des Levens? 2e) Van welk leven is er spraak in dit Boek ? 3e) Kan iemand uit het Boek des Levens geschrapt worden?

Articulus 1.
Is het Boek des Levens hetzelfde, als de Voorbestemming?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod liber vitae non sit idem quod praedestinatio. Dicitur enim Eccli. XXIV, haec omnia liber vitae; Glossa, idest novum et vetus testamentum. Hoc autem non est praedestinatio. Ergo liber vitae non est idem quod praedestinatio. (Iª q. 24 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het Boek des Levens niet hetzelfde is als de voorbestemming. Bij de woorden uit Prediker (24, 32) : « Dit alles is het Boek des Levens », teekent de Glossa immers aan : « Dit alles is het Oude en het Nieuwe Verbond. » Maar dit is niet hetzelfde als de voorbestemming. Bijgevolg is ook het Boek des Levens niet hetzelfde als de voorbestemming.

Praeterea, Augustinus, in libro XX de Civ. Dei, ait quod liber vitae est quaedam vis divina, qua fiet ut cuique opera sua bona vel mala in memoriam reducantur. Sed vis divina non videtur pertinere ad praedestinationem, sed magis ad attributum potentiae. Ergo liber vitae non est idem quod praedestinatio. (Iª q. 24 a. 1 arg. 2)

2 — Augustinus zegt in zijn Boek De Stad Gods (XXe B., XIVe H.) : « Het Boek des Levens is de kracht van God, Waardoor alle daden, goede en slechte, in iemands geheugen worden opgeroepen. » Welnu, de kracht van God behoort niet tot de voorbestemming, maar wel tot het attribuut van Gods macht. Het Boek des Levens is dus niet hetzelfde als de voorbestemming.

Praeterea, praedestinationi opponitur reprobatio. Si igitur liber vitae esset praedestinatio, inveniretur liber mortis, sicut liber vitae. (Iª q. 24 a. 1 arg. 3)

3 — De verwerping is tegengesteld aan de voorbestemming. Indien dan het Boek des Levens hetzelfde was als de voorbestemming, dan zou er ook een Boek des Doods moeten zijn, zooals er een Boek des Levens is.

Sed contra est quod dicitur in Glossa, super illud Psalmi LXVIII, deleantur de libro viventium, liber iste est notitia Dei, qua praedestinavit ad vitam, quos praescivit. (Iª q. 24 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter dat het Psalmvers : « Dat ze uit het Boek des Levens geschrapt worden » (Psalm 68, 29) door de Glossa aldus verklaard wordt : « Dit boek is de voorkennis van God, waardoor zij, die God vooraf kent, tot het leven worden voorbestemd. »

Respondeo dicendum quod liber vitae in Deo dicitur metaphorice, secundum similitudinem a rebus humanis acceptam. Est enim consuetum apud homines, quod illi qui ad aliquid eliguntur, conscribuntur in libro; utpote milites vel consiliarii, qui olim dicebantur patres conscripti. Patet autem ex praemissis quod omnes praedestinati eliguntur a Deo ad habendum vitam aeternam. Ipsa ergo praedestinatorum conscriptio dicitur liber vitae. Dicitur autem metaphorice aliquid conscriptum in intellectu alicuius, quod firmiter in memoria tenet, secundum illud Prov. III, ne obliviscaris legis meae, et praecepta mea cor tuum custodiat; et post pauca sequitur, describe illa in tabulis cordis tui. Nam et in libris materialibus aliquid conscribitur ad succurrendum memoriae. Unde ipsa Dei notitia, qua firmiter retinet se aliquos praedestinasse ad vitam aeternam, dicitur liber vitae. Nam sicut Scriptura libri est signum eorum quae fienda sunt ita Dei notitia est quoddam signum apud ipsum, eorum qui sunt perducendi ad vitam aeternam; secundum illud II Tim. II, firmum fundamentum Dei stat, habens signaculum hoc, novit dominus qui sunt eius. (Iª q. 24 a. 1 co.)

Het Boek des Levens is een zinnebeeld, waardoor we op God overdragen wat bij ons gebeurt. Het is immers onze gewoonte, om de namen van hen die aangeduid worden om een of ander ambt waar te nemen, op te schrijven in een boek; zoo doen we b.v. voor de soldaten, of voor de raadsheeren, die vroeger Patres conscripti genoemd werden, d. i. letterlijk : « opgeschreven vaders ». Uit het voorgaande is het echter duidelijk (zie XXIIIe Kw., IVe Art.), dat al de voorbestemden door God uitverkoren worden tot het eeuwig leven, en bijgevolg mag het uitkiezen zelf het Boek des Levens genoemd worden. Daarenboven zegt men ook figuurlijk, dat iets in iemands verstand geschreven staat, wanneer het diep in zijn geheugen geprent is, naar het Boek der Speuken (3, 1) : « Vergeet mijn Wet niet, en bewaar mijn geboden in uw hart », en een weinig verder (3,3) : « Schrijf ze neer op de tafelen van uw hart. » Men teekent immers iets in een boek aan, om een hulpmiddel te hebben voor het geheugen. Gods kennis, waardoor Hij nooit vergeet, dat Hij sommigen bestemd heeft tot het eeuwig leven, mag dus het Boek des Levens genoemd worden. Want evenals iets wat in een boek geschreven is, duidt op wat gedaan moet worden, zoo ook duidt Gods kennis voor Hem diegenen aan, die tot het eeuwig leven moeten geleid worden, volgens die woorden uit den IIe Brief aan Timotheus (2, 19) : « De hechte grondvest van God blijft staan, en het opschrift luidt : De Heer kent de zijnen. »

Ad primum ergo dicendum quod liber vitae potest dici dupliciter. Uno modo, conscriptio eorum qui sunt electi ad vitam, et sic loquimur nunc de libro vitae. Alio modo potest dici liber vitae, conscriptio eorum quae ducunt in vitam. Et hoc dupliciter. Vel sicut agendorum, et sic novum et vetus testamentum dicitur liber vitae. Vel sicut iam factorum, et sic illa vis divina, qua fiet ut cuilibet in memoriam reducantur facta sua, dicitur liber vitae. Sicut etiam liber militiae potest dici, vel in quo scribuntur electi ad militiam, vel in quo traditur ars militaris, vel in quo recitantur facta militum. (Iª q. 24 a. 1 ad 1)

1 — Men kan die benaming het Boek des Levens op twee manieren verstaan: ten eerste, als de lijst van hen die uitverkoren zijn tot het eeuwig leven, en in dien zin spreken wij er hier over. Ten tweede, als de beschrijving van wat tot het heil moet leiden, of als iets wat moet gedaan worden, en zoo kan men bet Oude en het Nieuwe Verbond een Boek des Levens noemen, of als iets wat reeds gebeurd is, en zoo wordt Gods kracht, waardoor eenieder aan zijn daden herinnerd wordt, het Boek des Levens genoemd. Het « Legerboek » kan immers ook beteekenen óf het boek, waarin de namen der dienstplichtigen staan opgeteekend, óf een boek waarin over de krijgskunde gehandeld wordt, óf een boek waarin de geschiedenis der legerfeiten verhaald wordt.

Unde patet solutio ad secundum. (Iª q. 24 a. 1 ad 2)

2 — Uit dit antwoord blijkt ook de oplossing der tweede tegenwerping.

Ad tertium dicendum quod non est consuetum conscribi eos qui repudiantur, sed eos qui eliguntur. Unde reprobationi non respondet liber mortis, sicut praedestinationi liber vitae. (Iª q. 24 a. 1 ad 3)

3 — Gewoonlijk worden diegenen niet opgeteekend, die verworpen worden, maar wel diegenen, die uitverkoren worden. Daarom moet er een Boek des Levens zijn, maar geen Boek des Doods.

Ad quartum dicendum quod secundum rationem differt liber vitae a praedestinatione. Importat enim notitiam praedestinationis, sicut etiam ex Glossa inducta apparet. (Iª q. 24 a. 1 ad 4)

4 — Het Boek des Levens verschilt, naar het begrip, van de voorbestemming: het sluit immers de kennis van de voorbestemming in, zooals uit de aangehaalde Glossa blijkt.

Articulus 2.
Heeft het Boek des Levens alleen betrekking op de glorie der voorbestemden?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod liber vitae non sit solum respectu vitae gloriae praedestinatorum. Liber enim vitae est notitia vitae. Sed Deus per vitam suam cognoscit omnem aliam vitam. Ergo liber vitae praecipue dicitur respectu vitae divinae; et non solum respectu vitae praedestinatorum. (Iª q. 24 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het Boek des Levens niet alleen betrekking heeft op de glorie der voorbestemden. Het Boek des Levens immers is de kennis van het leven. Welnu, God kent elk ander leven door het zijne. Bijgevolg is het Boek des Levens op de voornaamste plaats de kennis van Gods leven, en niet alleen van het leven der voorbestemden.

Praeterea, sicut vita gloriae est a Deo, ita vita naturae. Si igitur notitia vitae gloriae dicitur liber vitae, etiam notitia vitae naturae dicetur liber vitae. (Iª q. 24 a. 2 arg. 2)

2 — Zooals het leven der glorie uit God is, zoo is ook het leven der natuur uit God. Indien dus de kennis van het leven der glorie het Boek des Levens genoemd wordt, dan komt die benaming ook toe aan de kennis van het leven der natuur.

Praeterea, aliqui eliguntur ad gratiam, qui non eliguntur ad vitam gloriae; ut patet per id quod dicitur Ioan. VI, nonne duodecim vos elegi, et unus ex vobis Diabolus est? Sed liber vitae est conscriptio electionis divinae, ut dictum est. Ergo etiam est respectu vitae gratiae. (Iª q. 24 a. 2 arg. 3)

3 — Sommigen worden uitverkoren tot de genade, maar niet tot de glorie, zooals we lezen bij Johannes (6, 71) : « Koos ik er geen twaalf uit? En toch is een onder U een duivel. » Welnu, het Boek des Levens is het opteekenen van de goddelijke uitverkiezing, zooals hierboven gezegd is (voorg. Art.). Het heeft dus ook betrekking op het leven der genade.

Sed contra est quod liber vitae est notitia praedestinationis, ut dictum est. Sed praedestinatio non respicit vitam gratiae, nisi secundum quod ordinatur ad gloriam, non enim sunt praedestinati, qui habent gratiam et deficiunt a gloria. Liber igitur vitae non dicitur nisi respectu gloriae. (Iª q. 24 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat het Boek des Levens, de kennis is van de voorbestemming, zooals we hierboven gezegd hebben (voorg. Art.). Welnu, de voorbestemming heeft alleen betrekking op het leven der genade, in zoover dit leven gericht is op de glorie; zij immers, die wel eenmaal de genade bezaten, maar niet komen tot de glorie, zijn niet voorbestemd. Bijgevolg heeft het Boek des Levens alleen betrekking op de glorie.

Respondeo dicendum quod liber vitae, ut dictum est, importat conscriptionem quandam sive notitiam electorum ad vitam. Eligitur autem aliquis ad id quod non competit sibi secundum suam naturam. Et iterum, id ad quod eligitur aliquis, habet rationem finis, non enim miles eligitur aut conscribitur ad hoc quod armetur, sed ad hoc quod pugnet; hoc enim est proprium officium ad quod militia ordinatur. Finis autem supra naturam existens, est vita gloriae, ut supra dictum est. Unde proprie liber vitae respicit vitam gloriae. (Iª q. 24 a. 2 co.)

Het Boek des Levens is de lijst of de kennis van hen die uitverkoren zijn tot het eeuwig leven. Dat hebben we hierboven bewezen (voorg. Art.). Welnu, immer wordt iemand uitverkoren tot iets wat hem niet van nature toekomt. Daarbij wordt datgene waartoe iemand uitverkoren wordt, een doel voor hem : een soldaat wordt immers niet ingelijfd of opgeschreven om gewapend te worden, maar om te strijden, want dat is toch wel het, eigenlijke doel waarom de krijgsdienst is ingesteld. Maar het leven der glorie is een doel, dat boven onze natuur verheven is, zooals vroeger werd bewezen (XIIe Kw., IVe Art., XXIIIe Kw., Ie Art.). Bijgevolg heeft het Boek des Levens eigenlijk betrekking op het leven der glorie.

Ad primum ergo dicendum quod vita divina, etiam prout est vita gloriosa, est Deo naturalis. Unde respectu eius non est electio, et per consequens neque liber vitae. Non enim dicimus quod aliquis homo eligatur ad habendum sensum, vel aliquid eorum quae consequuntur naturam. (Iª q. 24 a. 2 ad 1)

1 — Gods leven, ook in zoover het een leven in de glorie is, komt Hem van nature toe. Met betrekking tot dat leven bestaat er dus geen keus, en bijgevolg evenmin een Boek des Levens. Zoo zeggen we ook niet, dat een mensch uitverkoren wordt om zintuigen te hebben, of iets anders dat eigen is aan de natuur.

Unde per hoc etiam patet solutio ad secundum. Respectu enim vitae naturalis non est electio, neque liber vitae. (Iª q. 24 a. 2 ad 2)

2 — Daaruit blijkt ook het antwoord op de tweede bedenking, want met betrekking tot het natuurlijk leven is er geen keus, en ook geen Boek des Levens.

Ad tertium dicendum quod vita gratiae non habet rationem finis, sed rationem eius quod est ad finem. Unde ad vitam gratiae non dicitur aliquis eligi, nisi inquantum vita gratiae ordinatur ad gloriam. Et propter hoc, illi qui habent gratiam et excidunt a gloria, non dicuntur esse electi simpliciter, sed secundum quid. Et similiter non dicuntur esse scripti simpliciter in libro vitae sed secundum quid; prout scilicet de eis in ordinatione et notitia divina existit, quod sint habituri aliquem ordinem ad vitam aeternam, secundum participationem gratiae. (Iª q. 24 a. 2 ad 3)

3 — Het leven der genade is zelf geen doel, maar alleen iets wat om een doel is. Daarom zegt men niet, dat iemand uitverkoren wordt tot de genade, tenzij in zoover de genade gericht is op de glorie. En om dezelfde reden zegt men niet van hen, die wel de genade ontvangen hebben, maar tot de glorie niet komen, dat ze uitverkoren zijn in absoluten zin, maar slechts in een zeker opzicht. Ook zegt men niet volstrekt, dat ze in het Boek des Levens opgeteekend staan, maar weer in een bepaald opzicht, in zoover nl. God bepaald heeft, dat ze een zekere betrekking zullen hebben tot het eeuwig leven, omdat zij er eenigen tijd deel aan hadden.

Articulus 3.
Kan iemand geschrapt worden uit het Boek des Levens?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod nullus deleatur de libro vitae. Dicit enim Augustinus, in XX de Civ. Dei, quod praescientia Dei, quae non potest falli, liber vitae est. Sed a praescientia Dei non potest aliquid subtrahi, similiter neque a praedestinatione. Ergo nec de libro vitae potest aliquis deleri. (Iª q. 24 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat niemand geschrapt wordt uit het Boek des Levens. Augustinus zegt immers in zijn Boek De Stad Gods (XXe B., XVe H.), dat het Boek des Levens de onfaalbare voorkennis is van God. Welnu, niets kan onttrokken worden aan Gods vookennis, noch aan zijn voorbestemming. Bijgevolg kan niemand geschrapt worden uit het Boek des Levens.

Praeterea, quidquid est in aliquo, est in eo per modum eius in quo est. Sed liber vitae est quid aeternum et immutabile. Ergo quidquid est in eo, est ibi non temporaliter, sed immobiliter et indelebiliter. (Iª q. 24 a. 3 arg. 2)

2 — Wat in iets is, is er in, volgens den aard van datgene, waarin het is. Welnu, het Boek des Levens is eeuwig en onveranderlijk. Dus is er niets van wat er in geboekt staat, tijdelijk, maar onveranderlijk en onuitwischbaar.

Praeterea, deletio Scripturae opponitur. Sed aliquis non potest de novo scribi in libro vitae. Ergo neque inde deleri potest. (Iª q. 24 a. 3 arg. 3)

3 — Iets schrappen is het tegenovergestelde van opschrijven. Welnu, niemand wordt thans nog opgeschreven. Dus kan ook niemand geschrapt worden.

Sed contra est quod dicitur in Psalmo LXVIII, deleantur de libro viventium. (Iª q. 24 a. 3 s. c.)

Dit is echter in strijd met de woorden van Psalm 68, 29 : « Dat ze geschrapt worden uit het Boek des Levens. »

Respondeo dicendum quod quidam dicunt quod de libro vitae nullus potest deleri secundum rei veritatem, potest tamen aliquis deleri secundum opinionem hominum. Est enim consuetum in Scripturis ut aliquid dicatur fieri, quando innotescit. Et secundum hoc, aliqui dicuntur esse scripti in libro vitae, inquantum homines opinantur eos ibi scriptos, propter praesentem iustitiam quam in eis vident. Sed quando apparet, vel in hoc seculo vel in futuro, quod ab hac iustitia exciderunt, dicuntur inde deleri. Et sic etiam exponitur in Glossa deletio talis, super illud Psalmi LXVIII, deleantur de libro viventium. Sed quia non deleri de libro vitae ponitur inter praemia iustorum, secundum illud Apoc. III, qui vicerit, sic vestietur vestimentis albis, et non delebo nomen eius de libro vitae; quod autem sanctis repromittitur, non est solum in hominum opinione; potest dici quod deleri vel non deleri de libro vitae, non solum ad opinionem hominum referendum est, sed etiam quantum ad rem. Est enim liber vitae conscriptio ordinatorum in vitam aeternam. Ad quam ordinatur aliquis ex duobus, scilicet ex praedestinatione divina, et haec ordinatio nunquam deficit; et ex gratia. Quicumque enim gratiam habet, ex hoc ipso est dignus vita aeterna. Et haec ordinatio deficit interdum, quia aliqui ordinati sunt ex gratia habita ad habendum vitam aeternam, a qua tamen deficiunt per peccatum mortale. Illi igitur qui sunt ordinati ad habendum vitam aeternam ex praedestinatione divina, sunt simpliciter scripti in libro vitae, quia sunt ibi scripti ut habituri vitam aeternam in seipsa. Et isti nunquam delentur de libro vitae. Sed illi qui sunt ordinati ad habendum vitam aeternam, non ex praedestinatione divina, sed solum ex gratia, dicuntur esse scripti in libro vitae, non simpliciter, sed secundum quid, quia sunt ibi scripti ut habituri vitam aeternam, non in seipsa, sed in sua causa. Et tales possunt deleri de libro vitae, ut deletio non referatur ad notitiam Dei, quasi Deus aliquid praesciat, et postea nesciat; sed ad rem scitam, quia scilicet Deus scit aliquem prius ordinari in vitam aeternam, et postea non ordinari, cum deficit a gratia. (Iª q. 24 a. 3 co.)

Sommigen beweren, dat niemand in wezenlijkheid kan geschrapt worden uit het Boek des Levens, maar alleen in de meening der menschen. De Schriftuur zegt immers gewoonlijk, dat iets gebeurt, wanneer het bekend gemaakt wordt. Daarom zegt men ook, dat iemand opgeteekend staat in het Boek des Levens, wanneer de menschen denken, dat hij er in opgeteekend wordt, omdat hij in de gerechtigheid leeft. Ziet men echter, óf in dit leven, óf na den dood, dat ze van de gerechtigheid afwijken, dan zegt men, dat ze geschrapt worden uit het Boek des Levens. En dit is ook de verklaring van de Glossa op die woorden uit Psalm 68, 29 : « Dat ze uit het Boek des Levens geschrapt worden. » Het is echter een belooning voor de rechtvaardigen, dat ze niet geschrapt worden uit het Boek des Levens, naar het getuigenis van het Boek der Openbaring (3, 3) : « Hij die overwint, zal met witte kleederen omkleed worden, en zijn naam zal ik niet schrappen uit het Boek des Levens. » Welnu, een belofte aan de heiligen gedaan, is niet alleen waar in de meening der menschen, en daarom heeft het al of niet schrappen uit het Boek des Levens zijn grond, niet alleen in de meening der menschen, maar ook in de werkelijkheid. Het Boek des Levens is immers de lijst van hen, die op het eeuwig leven gericht zijn. Welnu, men kan op het leven gericht zijn op twee manieren : ten eerste, door de goddelijke voorbestemming, en dit gericht zijn bereikt altijd zijn doel; ten tweede, door de genade, want hij die de genade heeft, is het eeuwig leven waardig, en dit gericht zijn bereikt niet altijd zijn doel, want sommigen die door de genade op het eeuwig leven gericht zijn, wijken van dit doel af door de doodzonde. Zij, die door de goddelijke voorbestemming op het eeuwig leven gericht zijn, staan in absoluten zin in het Boek des Levens opgeteekend, want er staat in opgeteekend, dat ze het eeuwig leven zelf zullen bezitten. Zij worden dan ook uit het Boek des Levens nooit geschrapt. Maar zij, die alleen door de genade op het eeuwig leven gericht zijn en niet door de goddelijke voorbestemming, staan in het Boek des Levens opgeteekend in een bepaalden zin, en niet volstrekt. Ze staan er immers niet in opgeteekend, omdat ze het eeuwig leven zelf zullen bezitten, maar alleen dat wat ons het eeuwig leven kan schenken. Daarom kunnen ze uit het Boek des Levens geschrapt worden, niet echter omdat Gods kennis verandert, en God eerst iets weet wat Hij later niet weet, maar omdat de door God gekende zaak verandert, en God weet, dat iemand, die eerst op het eeuwig leven gericht was, er later niet meer op gericht is, omdat hij van de genade afwijkt.

Ad primum ergo dicendum quod deletio, ut dictum est, non refertur ad librum vitae ex parte praescientiae, quasi in Deo sit aliqua mutabilitas, sed ex parte praescitorum, quae sunt mutabilia. (Iª q. 24 a. 3 ad 1)

1 — Wanneer sommigen geschrapt worden uit het Boek des Levens, dan moet dat niet teruggevoerd worden tot Gods voorkennis, alsof er iets in God kon veranderen, maar tot de vooraf gekende dingen, die kunnen veranderen.

Ad secundum dicendum quod, licet res in Deo sint immutabiliter, tamen in seipsis mutabiles sunt. Et ad hoc pertinet deletio libri vitae. (Iª q. 24 a. 3 ad 2)

2 — Hoewel de dingen in God onveranderlijk zijn, toch zijn ze op zichzelf veranderlijk, en daarom kan iemand geschrapt worden uit het Boek des Levens.

Ad tertium dicendum quod eo modo quo aliquis dicitur deleri de libro vitae, potest dici quod ibi scribatur de novo; vel secundum opinionem hominum, vel secundum quod de novo incipit habere ordinem ad vitam aeternam per gratiam. Quod etiam sub divina notitia comprehenditur, licet non de novo. (Iª q. 24 a. 3 ad 3)

3 — Men mag zeggen, dat iemand pas later in het Boek des Levens geschreven wordt, zooals men mag zeggen, dat hij er uit geschrapt word, d. i. ofwel volgens de meening der menschen, ofwel omdat hij nu pas door de genade op het eeuwig leven gericht wordt. Dit valt ook onder Gods kennis, hoewel die kennis er geen verandering door ondergaat.