QuaestioArticulus

Prima pars. Quaestio 4.
Over Gods volmaaktheid .

Prooemium

Post considerationem divinae simplicitatis, de perfectione ipsius Dei dicendum est. Et quia unumquodque, secundum quod perfectum est, sic dicitur bonum, primo agendum est de perfectione divina; secundo de eius bonitate. Circa primum quaeruntur tria. Primo, utrum Deus sit perfectus. Secundo, utrum Deus sit universaliter perfectus omnium in se perfectiones habens. Tertio, utrum creaturae similes Deo dici possint. (Iª q. 4 pr.)

Na Gods enkelvoudigheid beschouwd te hebben, moeten we zijn volmaaktheid behandelen. En aangezien al wat volmaakt is, ook in gelijke mate goed is, zullen we eerst spreken over Gods volmaaktheid en daarna over Gods goedheid. Over zijn volmaaktheid stellen we drie vragen : 1e) Is God volmaakt? 2e) Is zijn volmaaktheid zoo verheven, dat Hij in zich de volmaaktheden van alle dingen bevat? 3e) Zijn de schepselen aan God gelijk?

Articulus 1.
Is God volmaakt?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod esse perfectum non conveniat Deo. Perfectum enim dicitur quasi totaliter factum. Sed Deo non convenit esse factum. Ergo nec esse perfectum. (Iª q. 4 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat God niet volmaakt is. Volmaaktheid is immers datgene wat geheel en al voltooid, dus afgewerkt is. Welnu, God is niet gemaakt. Hij is dus ook niet volmaakt.

Praeterea, Deus est primum rerum principium. Sed principia rerum videntur esse imperfecta, semen enim est principium animalium et plantarum. Ergo Deus est imperfectus. (Iª q. 4 a. 1 arg. 2)

2 — God is het eerste beginsel der dingen. Maar de beginselen der dingen zijn onvolmaakt, zooals het zaad, dat het beginsel is van dieren en planten. God is dus ook onvolmaakt.

Praeterea, ostensum est supra quod essentia Dei est ipsum esse. Sed ipsum esse videtur esse imperfectissimum, cum sit communissimum, et recipiens omnium additiones. Ergo Deus est imperfectus. (Iª q. 4 a. 1 arg. 3)

3 — Gods wezenheid is het zijn zelf, zooals hierboven bewezen is (IIIe Kw., 4e Art.). Welnu, het zijn zelf is het meest onvolmaakte, aangezien het 't meest algemeene is, dat nader bepaald wordt in al wat bestaat. God is dus onvolmaakt.

Sed contra est quod dicitur Matt. V, estote perfecti, sicut et pater vester caelestis perfectus est. (Iª q. 4 a. 1 s. c.)

Bij Mattheus echter lezen we (5, 48) : « Weest volmaakt, zooals uw hemelsche Vader volmaakt is. »

Respondeo dicendum quod, sicut philosophus narrat in XII Metaphys., quidam antiqui philosophi, scilicet Pythagorici et Speusippus, non attribuerunt optimum et perfectissimum primo principio. Cuius ratio est, quia philosophi antiqui consideraverunt principium materiale tantum, primum autem principium materiale imperfectissimum est. Cum enim materia, inquantum huiusmodi, sit in potentia, oportet quod primum principium materiale sit maxime in potentia; et ita maxime imperfectum. Deus autem ponitur primum principium, non materiale, sed in genere causae efficientis, et hoc oportet esse perfectissimum. Sicut enim materia, inquantum huiusmodi, est in potentia; ita agens, inquantum huiusmodi, est in actu. Unde primum principium activum oportet maxime esse in actu, et per consequens maxime esse perfectum. Secundum hoc enim dicitur aliquid esse perfectum, secundum quod est actu, nam perfectum dicitur, cui nihil deest secundum modum suae perfectionis. (Iª q. 4 a. 1 co.)

Naar het getuigenis van den Wijsgeer in het XIIe Boek der Metaphysica zijn er onder de vroegste Wijsgeeren, de Pythagoreërs en Speusippus nl., die het eerste beginsel niet voor het beste en het meeste volmaakte hielden. Dat kwam hierdoor, omdat ze zich alleen tot het stoffelijk beginsel bepaalden, dat inderdaad het meest onvolmaakte is. Daar de stof als zoodanig in aanleg is, moet het eerste stoffelijk beginsel het meest in aanleg zijn en aldus het meest onvolmaakt. Maar God is het eerste beginsel, niet in de orde der stoffelijke oorzaken, maar in die der werkende, en dat beginsel is het meest volmaakte. Want is de stof als zoodanig in aanleg, het werkend wezen is als zoodanig in akt. Het eerste werkend beginsel moet dan ook het meest in akt zijn en dus het meest volmaakt. Iets is immers volmaakt in zoover het in akt is, want volmaakt is datgene waar niets aan ontbreekt om op de hem eigen wijze volmaakt te zijn.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut dicit Gregorius, balbutiendo ut possumus, excelsa Dei resonamus, quod enim factum non est, perfectum proprie dici non potest. Sed quia in his quae fiunt, tunc dicitur esse aliquid perfectum, cum de potentia educitur in actum; transumitur hoc nomen perfectum ad significandum omne illud cui non deest esse in actu, sive hoc habeat per modum factionis, sive non. (Iª q. 4 a. 1 ad 1)

1 — Gregorius zegt in het Ve Boek van zijn Zedekundige Verhandelingen : « We spreken van de verheven dingen in God slechts stamelende: Want iets wat niet gemaakt werd, kan eigenlijk niet volmaakt genoemd worden ». En toch kunnen wij God volmaakt noemen. In de dingen die worden, noemen we immers iets volmaakt in zoover het overgaat van aanleg tot akt, zoodat het woord « volmaakt » gebruikt wordt om aan te duiden al wat metterdaad is, hetzij het dit, is door volmaakt-worden, of niet.

Ad secundum dicendum quod principium materiale, quod apud nos imperfectum invenitur, non potest esse simpliciter primum, sed praeceditur ab alio perfecto. Nam semen, licet sit principium animalis generati ex semine, tamen habet ante se animal vel plantam unde deciditur. Oportet enim ante id quod est in potentia, esse aliquid actu, cum ens in potentia non reducatur in actum, nisi per aliquod ens in actu. (Iª q. 4 a. 1 ad 2)

2 — Het stoffelijk beginsel dat bij ons onvolmaakt is, kan niet in ieder opzicht het eerste zijn, maar er moet iets anders aan voorafgaan, dat volmaakt is. Zoo wordt het zaad, al is het ook het levensbeginsel van het uit zaad geteelde dier, afgescheiden van een voorafbestaand dier, of van een plant. De akt moet immers de potentie voorafgaan, aangezien wat in aanleg is enkel tot akt overgaat door een in akt zijnde wezen.

Ad tertium dicendum quod ipsum esse est perfectissimum omnium, comparatur enim ad omnia ut actus. Nihil enim habet actualitatem, nisi inquantum est, unde ipsum esse est actualitas omnium rerum, et etiam ipsarum formarum. Unde non comparatur ad alia sicut recipiens ad receptum, sed magis sicut receptum ad recipiens. Cum enim dico esse hominis, vel equi, vel cuiuscumque alterius, ipsum esse consideratur ut formale et receptum, non autem ut illud cui competit esse. (Iª q. 4 a. 1 ad 3)

3 — Het zijn zelf is het allervolmaaktste; het is immers de akt van alles, want niets is metterdaad, tenzij in zoover het bestaat. Het zijn zelf is dus de daadwerkelijkheid van alle dingen, en van de vormen zelf. Het verhoudt zich dus niet tot iets anders, gelijk datgene wat iets in zich opneemt zich verhoudt tot datgene wat opgenomen wordt, maar wel als het ontvangene tot het ontvangende. Spreekt men van het zijn van een mensch, van een paard of van een ander wezen, dan neemt men het zijn als dat wat vorm geeft en opgenomen wordt, en niet als datgene waaraan het zijn toekomt.

Articulus 2.
Zijn de volmaaktheden van alle dingen in God?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod in Deo non sint perfectiones omnium rerum. Deus enim simplex est, ut ostensum est. Sed perfectiones rerum sunt multae et diversae. Ergo in Deo non sunt omnes perfectiones rerum. (Iª q. 4 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de volmaaktheden van alle dingen in God niet zijn. Hij is immers enkelvoudig, zooals hierboven bewezen werd (IIIe Kw., 7e Art.). De volmaaktheden der dingen echter zijn talrijk en verschillend. Ze zijn dus niet in God.

Praeterea, opposita non possunt esse in eodem. Sed perfectiones rerum sunt oppositae, unaquaeque enim species perficitur per suam differentiam specificam; differentiae autem quibus dividitur genus et constituuntur species, sunt oppositae. Cum ergo opposita non possint simul esse in eodem, videtur quod non omnes rerum perfectiones sint in Deo. (Iª q. 4 a. 2 arg. 2)

2 — Tegenovergestelde hoedanigheden kunnen niet in hetzelfde ding zijn. Welnu, de volmaaktheden der dingen zijn tegenovergestelde hoedanigheden. Ieder ding toch wordt eerst voltooid door zijn soortelijk verschil, en de verschillen waardoor het geslacht verdeeld wordt en waardoor de soorten ontstaan, zijn tegenovergestelde hoedanigheden. Aangezien dus tegenovergestelde hoedanigheden niet samen in hetzelfde ding kunnen bestaan, kunnen niet al de volmaaktheden der dingen in God zijn.

Praeterea, vivens est perfectius quam ens, et sapiens quam vivens, ergo et vivere est perfectius quam esse, et sapere quam vivere. Sed essentia Dei est ipsum esse. Ergo non habet in se perfectionem vitae et sapientiae, et alias huiusmodi perfectiones. (Iª q. 4 a. 2 arg. 3)

3 — Het leven is volmaakter dan het zijn, en de wijsheid volmaakter dan het leven. Welnu, Gods wezenheid is zijn eigen bestaan. Hij bezit dus niet de volmaaktheid van het leven, noch die van de wijsheid.

Sed contra est quod dicit Dionysius, cap. V de Div. Nom., quod Deus in uno existentia omnia praehabet. (Iª q. 4 a. 2 s. c.)

Volgens Dionysius’ getuigenis in zijn Boek Over de Goddelijke Namen (Ve H.), bezit God echter alle volmaaktheden in de eenheid van zijn bestaan.

Respondeo dicendum quod in Deo sunt perfectiones omnium rerum. Unde et dicitur universaliter perfectus, quia non deest ei aliqua nobilitas quae inveniatur in aliquo genere, ut dicit Commentator in V Metaphys. Et hoc quidem ex duobus considerari potest. Primo quidem, per hoc quod quidquid perfectionis est in effectu, oportet inveniri in causa effectiva, vel secundum eandem rationem, si sit agens univocum, ut homo generat hominem; vel eminentiori modo, si sit, agens aequivocum, sicut in sole est similitudo eorum quae generantur per virtutem solis. Manifestum est enim quod effectus praeexistit virtute in causa agente, praeexistere autem in virtute causae agentis, non est praeexistere imperfectiori modo, sed perfectiori; licet praeexistere in potentia causae materialis, sit praeexistere imperfectiori modo, eo quod materia, inquantum huiusmodi, est imperfecta; agens vero, inquantum huiusmodi, est perfectum. Cum ergo Deus sit prima causa effectiva rerum, oportet omnium rerum perfectiones praeexistere in Deo secundum eminentiorem modum. Et hanc rationem tangit Dionysius, cap. V de Div. Nom., dicens de Deo quod non hoc quidem est, hoc autem non est, sed omnia est, ut omnium causa. Secundo vero, ex hoc quod supra ostensum est, quod Deus est ipsum esse per se subsistens, ex quo oportet quod totam perfectionem essendi in se contineat. Manifestum est enim quod, si aliquod calidum non habeat totam perfectionem calidi, hoc ideo est, quia calor non participatur secundum perfectam rationem, sed si calor esset per se subsistens, non posset ei aliquid deesse de virtute caloris. Unde, cum Deus sit ipsum esse subsistens, nihil de perfectione essendi potest ei deesse. Omnium autem perfectiones pertinent ad perfectionem essendi, secundum hoc enim aliqua perfecta sunt, quod aliquo modo esse habent. Unde sequitur quod nullius rei perfectio Deo desit. Et hanc etiam rationem tangit Dionysius, cap. V de Div. Nom., dicens quod Deus non quodammodo est existens, sed simpliciter et incircumscripte totum in seipso uniformiter esse praeaccipit, et postea subdit quod ipse est esse subsistentibus. (Iª q. 4 a. 2 co.)

In God zijn de volmaaktheden van alle dingen; Hij is in elk opzicht volmaakt omdat, volgens den Commentator, in zijn commentaar op het Ve Boek der Metaphysica, geen enkele hoedanigheid van welke soort ook Hem ontbreekt. En op twee wijzen kan dit bewezen worden. 1. Iedere volmaaktheid van het uitwerksel moet in de werkende oorzaak teruggevonden worden; echter niet immer op dezelfde wijze : ófwel naar denzelfden aard, bij een éénzinnig werkend wezen, gelijk het de mensch is die een mensch voortbrengt; ófwel op een meer volmaakte wijze, als het een dubbelzinnig werkende oorzaak is: zoo is in de zon alleen de gelijkenis der dingen die door de zonnekracht ontstaan. Want het is duidelijk dat het uitwerksel vooraf in aanleg dient te bestaan in de werkende oorzaak. Vooraf bestaan in de kracht van de werkende oorzaak, is niet op onvolmaakte, maar wel op meer volmaakte wijze voorafbestaan, hoewel vooraf bestaan in de stoffelijke oorzaak slechts een voorafbestaan is op onvolmaakte wijze, omdat de stof als zoodanig onvolmaakt is, terwijl het werkend wezen als zoodanig volmaakt is. God nu is de werkende oorzaak van de dingen, en bijgevolg moeten de volmaaktheden van alle dingen op een meer voortreffelijke wijze in Hem vooraf bestaan. Wat ook Dionysius zegt in zijn werk Over de Goddelijke Namen (Ve H.) : « Men mag van God niet zeggen : Hij is dit en niet dat; Hij is immers alles, als de oorzaak van alles ». 2. Hierboven (voorg. Kw., 4e Art.) werd bewezen, dat God het door zich zelf bestaande zijn is. Hjeruit volgt, dat Hij de geheele volmaaktheid van het zijn moet bezitten. Verduidelijken we dit door een voorbeeld : is er een warm ding dat niet geheel warmte is, dan is dit omdat de warmte er niet geheel aan meegedeeld werd; was er een op zichzelf bestaande warmte, dan kon er geen warmtekracht aan ontbreken. Aangezien nu God het zelfstandig-staande zijn zelf is, bezit Hij de volheid van het zijn. Daaronder nu valt iedere volmaaktheid, want iets is volmaakt inzoover het wezen heeft. God bezit dus alle volmaaktheden. En ook daarover spreekt Dionysius, wanneer hij zegt (t. a. pl.) : « God is niet op deze of gene wijze, maar Hij bezit vooraf in zichzelf, geheel onbegrensd en onveranderlijk, geheel het zijn », en hij voegt er aan toe, dat God het zijn is van alles wat bestaat.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut sol, ut dicit Dionysius, cap. V de Div. Nom., sensibilium substantias et qualitates multas et differentes, ipse unus existens et uniformiter lucendo, in seipso uniformiter praeaccipit; ita multo magis in causa omnium necesse est praeexistere omnia secundum naturalem unionem. Et sic, quae sunt diversa et opposita in seipsis, in Deo praeexistunt ut unum, absque detrimento simplicitatis ipsius. (Iª q. 4 a. 2 ad 1)

1 — Evenals, volgens het getuigenis van Dionysius (t. a. pl.) « eenzelfde zon, door steeds aan alles hetzelfde licht te schenken, al de zelfstandigheden en al de verscheidenheden en verschillende hoedanigheden der stoffelijke wereld voortbrengt, omdat ze alle op gelijke wijze bestaan in hare gelijke oorzakelijkheid, zoo moet nog veel meer alles, natuurlijkerwijze vereenigd, vooraf bestaan in de oorzaak van alles ». Daaruit volgt, dat wat op zich zelf beschouwd verschillend is, in God als één wezen bestaat, en zóó geen afbreuk doet aan Gods enkelvoudigheid.

Et per hoc patet solutio ad secundum. (Iª q. 4 a. 2 ad 2)

2 — Hierdoor blijkt ook het antwoord op de tweede opwerping.

Ad tertium dicendum quod, sicut in eodem capite idem Dionysius dicit, licet ipsum esse sit perfectius quam vita, et ipsa vita quam ipsa sapientia, si considerentur secundum quod distinguuntur ratione, tamen vivens est perfectius quam ens tantum, quia vivens etiam est ens; et sapiens est ens et vivens. Licet igitur ens non includat in se vivens et sapiens, quia non oportet quod illud quod participat esse, participet ipsum secundum omnem modum essendi, tamen ipsum esse Dei includit in se vitam et sapientiam; quia nulla de perfectionibus essendi potest deesse ei quod est ipsum esse subsistens. (Iª q. 4 a. 2 ad 3)

3 — Zooals Dionysius zegt in hetzelfde hoofdstuk, is naar het begripsonderscheid het zijn volmaakter dan het leven, en het leven volmaakter dan de wijsheid; toch is het levend wezen volmaakter dan het louter zijnde, omdat hetgeen leeft ook een wezen is, en de wijze een wezen is, en leeft. Het zijnde sluit weliswaar leven en wijs zijn niet in, daar wat aan het zijn maar deelachtig is, er niet in elk opzicht aan deelachtig hoeft te zijn; maar het zijn zelf bevat in zich het leven en de wijsheid, omdat geen enkele der zijnsvolmaaktheden kan ontbreken aan het zijn, dat door en op zichzelf bestaat.

Articulus 3.
Zijn de schepselen aan God gelijk?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod nulla creatura possit esse similis Deo. Dicitur enim in Psalmo, non est similis tui in diis, domine. Sed inter omnes creaturas, excellentiores sunt quae dicuntur dii participative. Multo ergo minus aliae creaturae possunt dici Deo similes. (Iª q. 4 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat geen enkel schepsel aan God gelijk kan zijn. Er wordt immers in de Psalmen gezegd (Ps. 83, 8) : « Onder de goden is er niemand uw gelijke ». Welnu, slechts de verhevenste schepselen worden goden genoemd, als hadden ze deel aan de godheid. De andere schepselen gelijken dus nog minder op Hem.

Praeterea, similitudo est comparatio quaedam. Non est autem comparatio eorum quae sunt diversorum generum; ergo nec similitudo, non enim dicimus quod dulcedo sit similis albedini. Sed nulla creatura est eiusdem generis cum Deo, cum Deus non sit in genere, ut supra ostensum est. Ergo nulla creatura est similis Deo. (Iª q. 4 a. 3 arg. 2)

2 — Een gelijkenis is een zekere vergelijking. Welnu, er is geen vergelijking mogelijk tusschen dingen, welke naar het geslacht verschillen. Dus is er ook geen gelijkenis.

Praeterea, similia dicuntur quae conveniunt in forma. Sed nihil convenit cum Deo in forma, nullius enim rei essentia est ipsum esse, nisi solius Dei. Ergo nulla creatura potest esse similis Deo. (Iª q. 4 a. 3 arg. 3)

3 — Gelijk zijn de dingen die naar hun vorm overeenkomen. Welnu, niets komt naar den vorm met God overeen. Bij geen enkel wezen buiten God is de wezenheid het bestaan. Dus is geen enkel schepsel aan God gelijk.

Praeterea, in similibus est mutua similitudo, nam simile est simili simile. Si igitur aliqua creatura est similis Deo, et Deus erit similis alicui creaturae. Quod est contra id quod dicitur Isaiae XL, cui similem fecistis Deum? (Iª q. 4 a. 3 arg. 4)

4 — Bij dingen die op elkaar gelijken is de gelijkenis wederkeerig. Zoo dus een schepsel op God gelijkt, dan moet God ook op de schepselen gelijken, wat indruischt tegen het woord van Isaias (40, 18) : « Met wien hebt gij God gelijk gemaakt? »

Sed contra est quod dicitur Gen. I, faciamus hominem ad imaginem et similitudinem nostram; et I Ioann. III, cum apparuerit, similes ei erimus. (Iª q. 4 a. 3 s. c.)

Die meening is echter in strijd met wat we lezen in de Genesis (11, 26) : « Maken we den mensch naar ons beeld en gelijkenis », en in den Ien Johannesbrief (3, 2) : « Wanneer Hij ons zal verschijnen, zullen we Hem gelijk zijn ».

Respondeo dicendum quod, cum similitudo attendatur secundum convenientiam vel communicationem in forma, multiplex est similitudo, secundum multos modos communicandi in forma. Quaedam enim dicuntur similia, quae communicant in eadem forma secundum eandem rationem, et secundum eundem modum, et haec non solum dicuntur similia, sed aequalia in sua similitudine; sicut duo aequaliter alba, dicuntur similia in albedine. Et haec est perfectissima similitudo. Alio modo dicuntur similia, quae communicant in forma secundum eandem rationem, et non secundum eundem modum, sed secundum magis et minus; ut minus album dicitur simile magis albo. Et haec est similitudo imperfecta. Tertio modo dicuntur aliqua similia, quae communicant in eadem forma, sed non secundum eandem rationem; ut patet in agentibus non univocis. Cum enim omne agens agat sibi simile inquantum est agens, agit autem unumquodque secundum suam formam, necesse est quod in effectu sit similitudo formae agentis. Si ergo agens sit contentum in eadem specie cum suo effectu, erit similitudo inter faciens et factum in forma, secundum eandem rationem speciei; sicut homo generat hominem. Si autem agens non sit contentum in eadem specie, erit similitudo, sed non secundum eandem rationem speciei, sicut ea quae generantur ex virtute solis, accedunt quidem ad aliquam similitudinem solis, non tamen ut recipiant formam solis secundum similitudinem speciei, sed secundum similitudinem generis. Si igitur sit aliquod agens, quod non in genere contineatur, effectus eius adhuc magis accedent remote ad similitudinem formae agentis, non tamen ita quod participent similitudinem formae agentis secundum eandem rationem speciei aut generis, sed secundum aliqualem analogiam, sicut ipsum esse est commune omnibus. Et hoc modo illa quae sunt a Deo, assimilantur ei inquantum sunt entia, ut primo et universali principio totius esse. (Iª q. 4 a. 3 co.)

Gelijkenis is gegrond op een overeenkomst in den vorm. Daar deze overkomst op velerlei wijze kan verwezenlijkt worden, is ook de gelijkenis velerlei. Er zijn immers dingen die op elkander gelijken, omdat ze denzelfden vorm bezitten naar denzelfden aard en in dezelfde maat. Deze dingen gelijken niet enkel op elkander, maar zijn in hun gelijkenis hetzelfde. Zoo gelijken twee evenzeer witte dingen elkander in de witheid. En dit is de meest volmaakte gelijkenis. — Andere dingen gelijken op elkander omdat ze denzelfden vorm bezitten naar denzelfden aard, maar niet in dezelfde maat, doch slechts meer of minder. Een minder wit voorwerp b. v. gelijkt op een witter. En dit is een onvolmaakte gelijkenis. — Een derde soort van wezens treffen we aan, die op elkander gelijken omdat ze denzelfden vorm bezitten, doch niet volgens denzelfden aard. Dit is het geval met de niet éénzinnig werkende wezens. Ieder werkend wezen als zoodanig werkt iets uit dat op hem gelijkt. Dit nu geschiedt door den wezensvorm. In het uitwerksel is er dus een gelijkenis met den vorm van het werkend wezen. Behoort de werkende oorzaak tot dezelfde soort als het uitwerksel, dan zal er tusschen beide een soortelijke gelijkenis zijn in den vorm : zoo brengt de mensch een mensch voort. Zijn echter de werkende oorzaak en het uitwerksel niet van dezelfde soort, dan kan er nog gelijkenis zijn, hoewel geen soortelijke. Dit is het geval met al de dingen die door de kracht der zon worden voortgebracht : zij gelijken er eenigerwijze op; echter is het geen soortgelijkenis, maar slechts een geslachtsgelijkenis. Is er nu een werkende oorzaak die tot geen enkel geslacht behoort, dan zal haar uitwerksel nog minder gelijkenis vertoonen met den vorm der werkende oorzaak : ze zal noch naar de soort, noch naar het geslacht, maar slechts analogisch gelijk zijn, zooals het zijn aan alle wezens gemeen is. En aldus gelijken alle dingen, die van God uitgaan, op Hem; in zoover ze wezens zijn, gelijken ze op het eerste en algemeen beginsel van alle zijn.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut dicit Dionysius cap. IX de Div. Nom., cum sacra Scriptura dicit aliquid non esse simile Deo, non est contrarium assimilationi ad ipsum. Eadem enim sunt similia Deo, et dissimilia, similia quidem secundum quod imitantur ipsum, prout contingit eum imitari qui non perfecte imitabilis est dissimilia vero, secundum quod deficiunt a sua causa; non solum secundum intensionem et remissionem, sicut minus album deficit a magis albo; sed quia non est convenientia nec secundum speciem nec secundum genus. (Iª q. 4 a. 3 ad 1)

1 — Dionysius zegt in zijn boek Over de Goddelijke Namen (9e H.) : « Wanneer de Schriftuur zegt dat niets op God gelijkt, dan sluit dit niet iedere gelijkenis met Hem uit. Immers, dezelfde dingen gelijken op God, en verschillen van Hem. Ze gelijken op Hem in zoover ze Hém nabootsen, die niet volmaakt nagebootst kan worden. Zij verschillen van Hem, in zoover zij bij hun oorzaak ten achter blijven ». En dit verschil bestaat niet alleen in een verschillenden graad, gelijk het minder witte verchilt van het meer witte; maar het ligt hierin, dat zij noch naar de soort, noch naar het geslacht met Hem overeenkomen.

Ad secundum dicendum quod Deus non se habet ad creaturas sicut res diversorum generum, sed sicut id quod est extra omne genus, et principium omnium generum. (Iª q. 4 a. 3 ad 2)

2 — De verhouding tusschen God en de schepselen is niet zooals die van dingen welke tot verschillende geslachten hooren. God staat immers buiten elk gelacht, en is het beginsel van alle geslachten.

Ad tertium dicendum quod non dicitur esse similitudo creaturae ad Deum propter communicantiam in forma secundum eandem rationem generis et speciei, sed secundum analogiam tantum; prout scilicet Deus est ens per essentiam, et alia per participationem. (Iª q. 4 a. 3 ad 3)

3 — Er is geen gelijkenis tusschen God en de schepselen, naar een overeenkomst in den vorm, als zouden ze samen tot het zelfde geslacht of tot dezelfde soort behooren, maar er is alleen een analogische gelijkenis tusschen God en de schepselen, in zoover God door zijn eigen wezenheid is, en de schepselen zijn omdat ze deel hebben aan het zijn.

Ad quartum dicendum quod, licet aliquo modo concedatur quod creatura sit similis Deo, nullo tamen modo concedendum est quod Deus sit similis creaturae, quia, ut dicit Dionysius cap. IX de Div. Nom., in his quae unius ordinis sunt, recipitur mutua similitudo, non autem in causa et causato, dicimus enim quod imago sit similis homini, et non e converso. Et similiter dici potest aliquo modo quod creatura sit similis Deo, non tamen quod Deus sit similis creaturae. (Iª q. 4 a. 3 ad 4)

4 — We kunnen wel aannemen, dat er eenige gelijkenis is tusschen den mensch en God, maar volstrekt niet dat God aan den mensch gelijk is. Immers, zooals Dionysius (t. a. pl.) zegt, is er maar een wederzijdsche gelijkenis tusschen die dingen, welke tot eenzelfde orde behooren; niet tusschen de oorzaak en het uitwerksel. Zoo zeggen we wel, dat de beeltenis gelijkt op den mensch, maar niet omgekeerd. En zoo kunnen we ook zeer goed zeggen, dat het schepsel op eenige wijze op God gelijkt, maar niet dat God gelijkt op het schepsel.