QuaestioArticulus

Prima pars. Quaestio 5.
Over het goede in het algemeen .

Prooemium

Deinde quaeritur de bono, et primo de bono in communi; secundo de bonitate Dei. Circa primum quaeruntur sex. Primo, utrum bonum et ens sint idem secundum rem. Secundo, supposito quod differant ratione tantum, quid sit prius secundum rationem, utrum bonum vel ens. Tertio, supposito quod ens sit prius, utrum omne ens sit bonum. Quarto, ad quam causam ratio boni reducatur. Quinto, utrum ratio boni consistat in modo, specie et ordine. Sexto, quomodo dividatur bonum in honestum, utile et delectabile. (Iª q. 5 pr.)

We dienen nu te onderzoeken wat het goede is, eerst het goede in het algemeen, dan het goddelijk goed-zijn. Over het goede in het algemeen onderzoeken wij : 1e) Of het goede en het zijnde naar hun wezenheid gelijk zijn. 2e) In de veronderstelling dat ze alleen naar het begrip verschillen, wat is dan volgens hun begrippen het eerste, het goede of het wezen? 3e) In de veronderstelling dat het zijnde het eerste is, is dan elk zijnde, ieder wezen goed? 4e) Tot welke oorzaak is de natuur van het goede herleidbaar? 5e) Bestaat het begrip van het goede in maat, soort en orde? 6e) De verdeeling van het goede in eerzaam, nuttigheids- en genotsgoed.

Articulus 1.
Is er een wezenlijk onderscheid tusschen het goede en het zijnde?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod bonum differat secundum rem ab ente. Dicit enim Boetius, in libro de Hebdom., intueor in rebus aliud esse quod sunt bona, et aliud esse quod sunt. Ergo bonum et ens differunt secundum rem. (Iª q. 5 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat er een wezenlijk verschil is tusschen het goede en het zijnde. Boëtius zegt immers in zijn Boek Over de Tijdstippen : « Ik zie in, dat de dingen door iets anders goed zijn dan door datgene waardoor ze zonder meer zijn ». Dus is er tusschen beide een wezenlijk onderscheid.

Praeterea, nihil informatur seipso. Sed bonum dicitur per informationem entis, ut habetur in commento libri de causis. Ergo bonum differt secundum rem ab ente. (Iª q. 5 a. 1 arg. 2)

2 — Niets geeft aan zich zelf den vorm. Welnu, het goede ontstaat uit een vormgeving van het zijnde, zooals er staat in het boek Over de Oorzaken (20e en 21e Stelling). Dus verschilt het goede wezenlijk van het zijnde.

Praeterea, bonum suscipit magis et minus. Esse autem non suscipit magis et minus. Ergo bonum differt secundum rem ab ente. (Iª q. 5 a. 1 arg. 3)

3 — Iets kan meer of minder goed zijn. Maar bij het zijn is er van meer of minder geen spraak. Bijgevolg is er tusschen het goede en het zijnde een wezenlijk onderscheid.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro de doctrina Christiana, quod inquantum sumus, boni sumus. (Iª q. 5 a. 1 s. c.)

Naar het getuigenis echter van Augustinus in zijn werk Over de Christelijke Leer (1e B., 32e H.), zijn we goed in zoover we zijn.

Respondeo dicendum quod bonum et ens sunt idem secundum rem, sed differunt secundum rationem tantum. Quod sic patet. Ratio enim boni in hoc consistit, quod aliquid sit appetibile, unde philosophus, in I Ethic., dicit quod bonum est quod omnia appetunt. Manifestum est autem quod unumquodque est appetibile secundum quod est perfectum, nam omnia appetunt suam perfectionem. Intantum est autem perfectum unumquodque, inquantum est actu, unde manifestum est quod intantum est aliquid bonum, inquantum est ens, esse enim est actualitas omnis rei, ut ex superioribus patet. Unde manifestum est quod bonum et ens sunt idem secundum rem, sed bonum dicit rationem appetibilis, quam non dicit ens. (Iª q. 5 a. 1 co.)

Tusschen het goede en het zijnde is er geen wezenlijk, doch enkel een begripsonderscheid. Het wezen van het goede bestaat hierin, dat iets begeerlijk is. Daarom zegt de Wijsgeer in zijn Ethica (1e B., 1e H., Nr 1) : « Goed is datgene wat alle wezens begeeren ». Het is echter duidelijk, dat iets begeerlijk is in zoover het volmaakt is; ieder ding toch begeert zijn volmaaktheid. Welnu, ieder ding is volmaakt in zoover het in akt is. Daarom is iets slechts goed naarmate het is: het zijn immers, of het bestaan, is de akt, de daadwerkelijkheid van ieder ding, zooals hierboven werd uiteengezet. (IIIe Kw., 4e Art., en IVe Kw., 1e en 2e Art.) Het is dus duidelijk, dat naar hun wezenheid het goede en het zijnde hetzelfde zijn; maar het goede bevat bovendien het begrip begeerlijk te zijn, wat in het zijnde niet vervat ligt.

Ad primum ergo dicendum quod, licet bonum et ens sint idem secundum rem, quia tamen differunt secundum rationem, non eodem modo dicitur aliquid ens simpliciter, et bonum simpliciter. Nam cum ens dicat aliquid proprie esse in actu; actus autem proprie ordinem habeat ad potentiam; secundum hoc simpliciter aliquid dicitur ens, secundum quod primo discernitur ab eo quod est in potentia tantum. Hoc autem est esse substantiale rei uniuscuiusque; unde per suum esse substantiale dicitur unumquodque ens simpliciter. Per actus autem superadditos, dicitur aliquid esse secundum quid, sicut esse album significat esse secundum quid, non enim esse album aufert esse in potentia simpliciter, cum adveniat rei iam praeexistenti in actu. Sed bonum dicit rationem perfecti, quod est appetibile, et per consequens dicit rationem ultimi. Unde id quod est ultimo perfectum, dicitur bonum simpliciter. Quod autem non habet ultimam perfectionem quam debet habere, quamvis habeat aliquam perfectionem inquantum est actu, non tamen dicitur perfectum simpliciter, nec bonum simpliciter, sed secundum quid. Sic ergo secundum primum esse, quod est substantiale, dicitur aliquid ens simpliciter et bonum secundum quid, idest inquantum est ens, secundum vero ultimum actum dicitur aliquid ens secundum quid, et bonum simpliciter. Sic ergo quod dicit Boetius, quod in rebus aliud est quod sunt bona, et aliud quod sunt, referendum est ad esse bonum et ad esse simpliciter, quia secundum primum actum est aliquid ens simpliciter; et secundum ultimum, bonum simpliciter. Et tamen secundum primum actum est quodammodo bonum, et secundum ultimum actum est quodammodo ens. (Iª q. 5 a. 1 ad 1)

1 — Hoewel het goede en het zijnde wezenlijk hetzelfde zijn, verschillen ze toch naar hun begrippen, en daarom is er ook verschil tusschen het zijnde zonder meer en het goede zonder meer. « Zijn » is immers, strikt genomen, metterdaad of in akt zijn. De akt nu staat in verband met den aanleg. « Zijn » zonder meer is dus : niet meer in aanleg zijn. Dit zijn is het zelfstandig zijn van ieder ding. Daarom is iets, zonder meer, door het zelfstandig zijn; door de werkelijkheden die er aan toegevoegd worden, is het echter op betrekkelijke wijze : zoo is b. v. de witheid in een zeker opzicht een bepaald zijn. Want niet het wit zijn neemt den aanleg weg zonder meer, aangezien een ding moet zijn om wit te zijn. Het goede integendeel is iets volmaakts, dat begeerlijk is, en dus een begrip van voltooiing bevat. Daarom is goed zonder meer, wat geheel voltooid is. Wat niet de geheele volmaaktheid bezit, die hem toekomt, — hoewel het door metterdaad te zijn een zekere volmaaktheid bezit, — is niet volmaakt noch goed zonder meer, maar slechts in een bepaald opzicht. Iets dus wat het eerste zijn bezit, nl. het zelfstandig zijn, wordt gezegd te zijn, zonder meer, en goed te zijn in een bepaald opzicht, nl. in zoover het een wezen is. Daarentegen, door de werkelijkheden die aan de zelfstandigheid worden toegevoegd, « is » iets op betrekkelijke wijze, en is het goed zonder meer. Wanneer Boëtius zegt : « In de dingen is datgene waardoor ze goed zijn iets anders dan datgene waardoor ze zijn », dan moet dat in verband gebracht worden met goed zijn zonder meer, en met zijn zonder meer. Volgens den eersten akt immers is iets zonder meer; volgens den laatsten, is het goed zonder meer, hoewel het volgens den eersten akt in een zeker opzicht goed is, en volgens den laatsten akt in een zeker opzicht is.

Ad secundum dicendum quod bonum dicitur per informationem, prout accipitur bonum simpliciter, secundum ultimum actum. (Iª q. 5 a. 1 ad 2)

2 — Men kan zeggen, dat het goede een vormgeving is van het zijn, wanneer het gaat om hetgeen door den laatsten akt goed is zonder meer.

Et similiter dicendum ad tertium, quod bonum dicitur secundum magis et minus, secundum actum supervenientem; puta secundum scientiam vel virtutem. (Iª q. 5 a. 1 ad 3)

3 — Inderdaad kan iets meer of minder goed zijn, maar dit zegt men alleen voor zoover er bijkomende volmaaktheden, b. v. de wetenschap, de deugd, aanwezig zijn.

Articulus 2.
Gaat, naar het begrip, het goede vooraf aan het zijnde?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod bonum secundum rationem sit prius quam ens. Ordo enim nominum est secundum ordinem rerum significatarum per nomina. Sed Dionysius, inter alia nomina Dei, prius ponit bonum quam ens, ut patet, in III cap. de Div. Nom. Ergo bonum secundum rationem est prius quam ens. (Iª q. 5 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat, naar het begrip, het goede voorafgaat aan het zijnde. De orde der namen toch komt overeen met de orde van hetgeen door de namen wordt aangeduid. Welnu, Dionysius stelt in zijn boek Over de Goddelijke Namen (IIIe H.) onder de namen van God het goede vóór het zijnde. Het goede gaat dus naar het begrip aan het zijnde vooraf.

Praeterea, illud est prius secundum rationem, quod ad plura se extendit. Sed bonum ad plura se extendit quam ens, quia, ut dicit Dionysius, V cap. de Div. Nom., bonum se extendit ad existentia et non existentia, ens vero ad existentia tantum. Ergo bonum est prius secundum rationem quam ens. (Iª q. 5 a. 2 arg. 2)

2 — In de orde der begrippen is datgene het eerste, wat meerdere dingen omvat. Welnu, het goede heeft geen grootere omvatting dan het zijnde; want Dionysius zegt (t. a. pl, 5e H.) : « Het goede strekt zich uit tot de bestaande en niet-bestaande dingen, het zijnde enkel tot de bestaande ». Dus gaat in de orde der begrippen het goede aan het zijnde vooraf.

Praeterea, quod est universalius, est prius secundum rationem. Sed bonum videtur universalius esse quam ens, quia bonum habet rationem appetibilis; quibusdam autem appetibile est ipsum non esse; dicitur enim, Matth. XXVI, de Iuda, bonum erat ei, si natus non fuisset et cetera. Ergo bonum est prius quam ens, secundum rationem. (Iª q. 5 a. 2 arg. 3)

3 — Wat algemeener is, gaat naar het begrip vooraf. Welnu het goede is algemeener dan het zijnde. Het goede is immers begeerlijk. Welnu, voor sommigen is ook het niet-zijn begeerlijk. Want bij Maitheus (26, 24) wordt van Judas gezegd ; « Het ware hem goed, zoo hij niet geboren was ». Dus gaat het goede, naar het begrip, vooraf aan het zijnde.

Praeterea, non solum esse est appetibile, sed et vita et sapientia, et multa huiusmodi, et sic videtur quod esse sit quoddam particulare appetibile, et bonum, universale. Bonum ergo simpliciter est prius secundum rationem quam ens. (Iª q. 5 a. 2 arg. 4)

4 — Niet alleen het zijn, maar ook het leven, de wijsheid en dergelijke, zijn begeerlijk. Daaruit zou men mogen afleiden, dat het zijn een bijzonder begeerlijk iets is, het goede integendeel algemeen begeerlijk. Dus gaat het goede, naar zijn begrip in elk opzicht vooraf aan het zijnde.

Sed contra est quod dicitur in libro de causis, quod prima rerum creatarum est esse. (Iª q. 5 a. 2 s. c.)

Volgens het boek Over de Oorzaken echter (4e Stelling) is het eerste in de geschapene wezens het zijn.

Respondeo dicendum quod ens secundum rationem est prius quam bonum. Ratio enim significata per nomen, est id quod concipit intellectus de re, et significat illud per vocem, illud ergo est prius secundum rationem, quod prius cadit in conceptione intellectus. Primo autem in conceptione intellectus cadit ens, quia secundum hoc unumquodque cognoscibile est, inquantum est actu, ut dicitur in IX Metaphys. Unde ens est proprium obiectum intellectus, et sic est primum intelligibile, sicut sonus est primum audibile. Ita ergo secundum rationem prius est ens quam bonum. (Iª q. 5 a. 2 co.)

Het zijnde gaat aan het goede vooraf naar het begrip. Het begrip door den naam uitgedrukt is hetgeen het verstand begrijpt van een zaak, en dan door het woord aanduidt. Dus is, naar het begrip, datgene het eerste, wat op de eerste plaats valt onder het begrijpen van ons verstand, en het eerste wat onder het begrijpen valt van het verstand is het zijnde, want volgens den Wijsgeer in het IXe Boek der Metaphysica (VIIIe B., IXe H., Nr 6) is iets kenbaar in zoover het metterdaad is. Daar nu het zijnde het eigen voorwerp van het verstand is, is het ook het eerst verstaanbare, zooals de klank het eerst-hoorbare is. Naar het begrip gaat het zijnde dus vooraf aan het goede. 1.5.2.ad Dionysius geeft de orde aan der goddelijke namen in verband met Gods oorzakelijkheid : wij benoemen immers, zoo zegt hij, God, uitgaande van de schepselen, zooals wij de oorzaak naar de uitwerkselen benoemen. Het goede nu, in zoover dit het begeerlijke beteekent, sluit de verhouding in van de doeloorzaak. Dit is de eerste oorzaak, daar ieder handelend wezen alleen om een doel handelt, en zóó de vorm in de stof wordt gebracht door de werkende oorzaak; daarom is de doeloorzaak de oorzaak der oorzaken. In de orde der oorzakelijkheid gaat dus het goede aan het zijnde vooraf, zooals het doel aan den vorm. En daarom valt onder de namen, die de goddelijke oorzakelijkheid uitdrukken, het goede te stellen vóór het zijnde. Een tweede reden is de volgende: Daar de Platonici geen onderscheid maken tusschen de stof en de privatie, vatten ze de stof op als een met-zijnde. In dit geval strekt het begrip « goed » zich verder uit dan het begrip « zijnde ». De eerste stof toch heeft deel aan het goede, daar zij er naar streeft (niets streeft immers naar iets wat zijns gelijke niet is). Maar aan het zijnde heeft ze geen deel, daar ze als een « niet-zijnde » opgevat wordt. En daarom zegt Dionysius, dat het goede de niet bestaande dingen omvat.

Ad primum ergo dicendum quod Dionysius determinat de divinis nominibus secundum quod important circa Deum habitudinem causae, nominamus enim Deum, ut ipse dicit, ex creaturis, sicut causam ex effectibus. Bonum autem, cum habeat rationem appetibilis, importat habitudinem causae finalis, cuius causalitas prima est, quia agens non agit nisi propter finem, et ab agente materia movetur ad formam, unde dicitur quod finis est causa causarum. Et sic, in causando, bonum est prius quam ens, sicut finis quam forma, et hac ratione, inter nomina significantia causalitatem divinam, prius ponitur bonum quam ens. Et iterum quia, secundum Platonicos, qui, materiam a privatione non distinguentes, dicebant materiam esse non ens, ad plura se extendit participatio boni quam participatio entis. Nam materia prima participat bonum, cum appetat ipsum (nihil autem appetit nisi simile sibi), non autem participat ens, cum ponatur non ens. Et ideo dicit Dionysius quod bonum extenditur ad non existentia. (Iª q. 5 a. 2 ad 1)

1 — Hieruit is ook de oplossing der tweede moeilijkheid duidelijk. Bovendien zou men ook nog kunnen antwoorden, dat het goede het bestaande en het niet-bestaande omvat, niet in de orde der toeschrijving, maar in de orde der oorzakelijkheid. Dan moeten we onder de niet-bestaande dingen verstaan, niet : dingen die volstrekt niet zijn, maar dingen die in aanleg en nog niet in akt zijn : het goede immers geldt als een doel, waarin niet alleen de daadwerkelijke dingen hun term vinden, maar waarnaar ook die dingen streven, die nog niet metterdaad zijn, doch enkel in aanleg. Het zijnde echter sluit alleen in, een verhouding van vormoorzakelijkheid, hetzij het gaat om den inwendigen vorm zelf, hetzij het gaat om den uitwendigen vorm of het oerbeeld : van die oorzakelijkheid nu kan alleen spraak zijn in de dingen die metterdaad zijn.

Unde patet solutio ad secundum. Vel dicendum quod bonum extenditur ad existentia et non existentia, non secundum praedicationem, sed secundum causalitatem, ut per non existentia intelligamus, non ea simpliciter quae penitus non sunt, sed ea quae sunt in potentia et non in actu, quia bonum habet rationem finis, in quo non solum quiescunt quae sunt in actu, sed ad ipsum etiam ea moventur quae in actu non sunt sed in potentia tantum. Ens autem non importat habitudinem causae nisi formalis tantum, vel inhaerentis vel exemplaris, cuius causalitas non se extendit nisi ad ea quae sunt in actu. (Iª q. 5 a. 2 ad 2)

2 — Het niet-zijn kan niet op zich zelf nagestreefd worden, maar alleen om een bijkomstige reden. Men verlangt immers de verwijdering van een kwaad. Maar een kwaad kan alleen verdwijnen door op te houden te zijn. De verwijdering van een kwaad wordt dan ook maar verlangd omdat het ons berooft van een wijze van zijn. Dus is alleen het zijn op zich zelf nastreefbaar, het niet-zijn is dit enkel op bijkomstige wijze, in zoover men streeft naar iets waar men niet langer wil van beroofd blijven. En zoo is het niet-zijn goed op toevallige wijze.

Ad tertium dicendum quod non esse secundum se non est appetibile, sed per accidens, inquantum scilicet ablatio alicuius mali est appetibilis, quod malum quidem aufertur per non esse. Ablatio vero mali non est appetibilis, nisi inquantum per malum privatur quodam esse. Illud igitur quod per se est appetibile, est esse, non esse vero per accidens tantum, inquantum scilicet quoddam esse appetitur, quo homo non sustinet privari. Et sic etiam per accidens non esse dicitur bonum. (Iª q. 5 a. 2 ad 3)

3 — Het leven en de wetenschap en dergelijke worden nagestreefd in zoover ze werkelijk zijn : in ieder streven is het voorwerp eenig zijn. Daarom is alleen het zijn begeerlijk, en is er niets goed dan wat is.

Ad quartum dicendum quod vita et scientia, et alia huiusmodi, sic appetuntur ut sunt in actu, unde in omnibus appetitur quoddam esse. Et sic nihil est appetibile nisi ens, et per consequens nihil est bonum nisi ens. (Iª q. 5 a. 2 ad 4)

Articulus 3.
Is elk zijnde goed?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod non omne ens sit bonum. Bonum enim addit supra ens, ut ex dictis patet. Ea vero quae addunt aliquid supra ens, contrahunt ipsum, sicut substantia, quantitas, qualitas, et alia huiusmodi. Ergo bonum contrahit ens. Non igitur omne ens est bonum. (Iª q. 5 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat niet ieder zijnde goed is. Het goede immers voegt iets toe aan het zijnde, zooals uit het voorgaande blijkt (1e Art.). Welnu, wat iets toevoegt aan het zijnde, beperkt het, zooals de zelfstandigheid, de hoegrootheid, de hoedanigheid en dergelijke het zijnde beperken. Het goede beperkt dus den omvang van het zijnde en daarom is niet ieder zijnde goed.

Praeterea, nullum malum est bonum, Isaiae V, vae qui dicitis malum bonum, et bonum malum. Sed aliquod ens dicitur malum. Ergo non omne ens est bonum. (Iª q. 5 a. 3 arg. 2)

2 — Geen enkel kwaad is goed, volgens het woord van Isaïas (5, 20) : « Wee u, die het kwade goed, en het goede kwaad noemt ». Welnu er zijn dingen die « kwaad » genoemd worden. Dus is niet ieder zijnde goed.

Praeterea, bonum habet rationem appetibilis. Sed materia prima non habet rationem appetibilis, sed appetentis tantum. Ergo materia prima non habet rationem boni. Non igitur omne ens est bonum. (Iª q. 5 a. 3 arg. 3)

3 — Het goede is nastreefbaar. Welnu, de eerste stof is niet nastreefbaar, maar streeft alleen naar iets. Dus is de eerste stof niet goed, en is bijgevolg niet ieder zijnde goed.

Praeterea, philosophus dicit, in III Metaphys., quod in mathematicis non est bonum. Sed mathematica sunt quaedam entia, alioquin de eis non esset scientia. Ergo non omne ens est bonum. (Iª q. 5 a. 3 arg. 4)

4 — De Wijsgeer zegt in het IIIe Boek der Metaphysica (IIe B., IIe H., Nr 2), dat er in de wiskunde geen goed-zijn is. Welnu, het wiskundige is ook een zijnde, anders was het geen objekt van een wetenschap. Dus is niet ieder zijnde goed.

Sed contra, omne ens quod non est Deus, est Dei creatura. Sed omnis creatura Dei est bona, ut dicitur I ad Tim., IV cap., Deus vero est maxime bonus. Ergo omne ens est bonum. (Iª q. 5 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat elk zijnde buiten God een schepsel Gods is. Welnu, « alle schepselen Gods zijn goed », volgens den Ien Brief aan Timotheus (4, 4). God echter is het opperste goed. Bijgevolg is ieder zijnde goed.

Respondeo dicendum quod omne ens, inquantum est ens, est bonum. Omne enim ens, inquantum est ens, est in actu, et quodammodo perfectum, quia omnis actus perfectio quaedam est. Perfectum vero habet rationem appetibilis et boni, ut ex dictis patet. Unde sequitur omne ens, inquantum huiusmodi, bonum esse. (Iª q. 5 a. 3 co.)

Elk zijnde is, als zijnde, goed. Inderdaad, elk zijnde is, als zijnde, in akt, en is op eenige wijze volmaakt : iedere akt immers is een zekere volmaaktheid. Welnu, wat volmaakt is, kan nagestreefd worden, zooals hierboven gezegd werd (1e Art.). Dus is ieder zijnde, als zoodanig, goed.

Ad primum ergo dicendum quod substantia, quantitas et qualitas, et ea quae sub eis continentur, contrahunt ens applicando ens ad aliquam quidditatem seu naturam. Sic autem non addit aliquid bonum super ens, sed rationem tantum appetibilis et perfectionis, quod convenit ipsi esse in quacumque natura sit. Unde bonum non contrahit ens. (Iª q. 5 a. 3 ad 1)

1 — De zelfstandigheid, de hoegrootheid, de hoedanigheid en de andere praedicamenten beperken den omvang van het zijnde tot een bepaalde wezenheid of natuur. Maar het goede wordt niet op dezelfde wijze toegevoegd aan het zijnde; het voegt immers aan het zijnde alleen toe, dat het nastreefbaar en volmaakt is, wat toekomt aan ieder zijnde van welken aard ook. Dus beperkt het goede den omvang van het zijnde niet.

Ad secundum dicendum quod nullum ens dicitur malum inquantum est ens, sed inquantum caret quodam esse, sicut homo dicitur malus inquantum caret esse virtutis, et oculus dicitur malus inquantum caret acumine visus. (Iª q. 5 a. 3 ad 2)

2 — Geen enkel zijnde is slecht in zoover het is, maar alleen in zoover er eenig « zijn » aan ontbreekt. Zoo is een mensch slecht, in zoover hij het zijn van de deugd niet heeft, en een slecht oog lis dat waaraan de scherpte van het gezicht ontbreekt.

Ad tertium dicendum quod materia prima, sicut non est ens nisi in potentia, ita nec bonum nisi in potentia. Licet, secundum Platonicos, dici possit quod materia prima est non ens, propter privationem adiunctam. Sed tamen participat aliquid de bono, scilicet ipsum ordinem vel aptitudinem ad bonum. Et ideo non convenit sibi quod sit appetibile, sed quod appetat. (Iª q. 5 a. 3 ad 3)

3 — Evenals de eerste stof alleen in aanleg zijnde is, zoo is zij ook alleen in aanleg goed. Volgens de Platonici zou men kunnen zeggen, dat de eerste stof een « niet-zijnde » is, om het gemis dat er aan vastzit. Toch is de eerste stof eenigszins aan het goede deelachtig, in zoover ze naar het goede geordend of er aangepast aan is. Daarom kan er niet naar haar gestreefd worden, maar kan zij wel naar iets streven.

Ad quartum dicendum quod mathematica non subsistunt separata secundum esse, quia si subsisterent, esset in eis bonum, scilicet ipsum esse ipsorum. Sunt autem mathematica separata secundum rationem tantum, prout abstrahuntur a motu et a materia, et sic abstrahuntur a ratione finis, qui habet rationem moventis. Non est autem inconveniens quod in aliquo ente secundum rationem non sit bonum vel ratio boni, cum ratio entis sit prior quam ratio boni, sicut supra dictum est. (Iª q. 5 a. 3 ad 4)

4 — Het objekt van de wiskunde bestaat niet op zich zelf, afgescheiden van elk ander zijn; bestond het zóó, dan was er iets goeds in, nl. z’n zijn. Maar de wiskundige hoegrootheid bestaat alleen in de begripsorde op zichzelf, in zoover wij ze ons denken met voorbijzien van beweging en stof. Op dezelfde wijze abstraheeren we haar ook van het doel, dat de werkende oorzaak beweegt. Er is nu geen bezwaar bij, dat het begrip van het goede in een verstandsding niet wordt teruggevonden. Immers, zooals hierboven werd uiteengezet (voorg. Art.), gaat het begrip « zijnde » aan het begrip « goed » vooraf.

Articulus 4.
Is bet goede doeloorzaak?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod bonum non habeat rationem causae finalis, sed magis aliarum. Ut enim dicit Dionysius, IV cap. de Div. Nom., bonum laudatur ut pulchrum. Sed pulchrum importat rationem causae formalis. Ergo bonum habet rationem causae formalis. (Iª q. 5 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het goede geen doeloorzaak is, maar eerder gelijk is aan de andere oorzaken. Dionysius zegt immers in zijn werk Over de Goddelijke Namen (IVe H.) : « Het goede wordt als iets schoons aangezien ». Welnu, het schoone is een vorm-oorzaak, en dus ook het goede.

Praeterea, bonum est diffusivum sui esse, ut ex verbis Dionysii accipitur, quibus dicit quod bonum est ex quo omnia subsistunt et sunt. Sed esse diffusivum importat rationem causae efficientis. Ergo bonum habet rationem causae efficientis. (Iª q. 5 a. 4 arg. 2)

2 — Wat goed is heeft een neiging om van z’n zijn mede te deelen, volgens het woord van Dionysius, t. a. pl. : « Door het goede is het, dat alle dingen zijn en bestaan ». Welnu deze mededeelzaamheid is een uitoefening van werkende oorzakelijkheid. Dus is het goede een werkende oorzaak.

Praeterea, dicit Augustinus in I de Doctr. Christ., quod quia Deus bonus est, nos sumus. Sed ex Deo sumus sicut ex causa efficiente. Ergo bonum importat rationem causae efficientis. (Iª q. 5 a. 4 arg. 3)

3 — Augustinus zegt in zijn werk Over de Christelijke Leer (1e Boek, 32e H.) : « Wij zijn, omdat God goed is ». Welnu, wij hebben ons bestaan aan God te danken als aan een werkende oorzaak.

Sed contra est quod philosophus dicit, in II Physic., quod illud cuius causa est, est sicut finis et bonum aliorum. Bonum ergo habet rationem causae finalis. (Iª q. 5 a. 4 s. c.)

De Wijsgeer echter zegt in het IIe Boek zijner Physica (IIIe H., Nr 5) : « Datgene waarom iets is, is als het doel en het goed van al het andere ». Dus zijn het goede en de doeloorzaak één.

Respondeo dicendum quod, cum bonum sit quod omnia appetunt, hoc autem habet rationem finis; manifestum est quod bonum rationem finis importat. Sed tamen ratio boni praesupponit rationem causae efficientis, et rationem causae formalis. Videmus enim quod id quod est primum in causando, ultimum est in causato, ignis enim primo calefacit quam formam ignis inducat, cum tamen calor in igne consequatur formam substantialem. In causando autem, primum invenitur bonum et finis, qui movet efficientem; secundo, actio efficientis, movens ad formam; tertio advenit forma. Unde e converso esse oportet in causato, quod primum sit ipsa forma, per quam est ens; secundo consideratur in ea virtus effectiva, secundum quod est perfectum in esse (quia unumquodque tunc perfectum est, quando potest sibi simile facere, ut dicit philosophus in IV Meteor.); tertio consequitur ratio boni, per quam in ente perfectio fundatur. (Iª q. 5 a. 4 co.)

Aangezien het goede datgene is waar alles naar streeft, en daarin juist de doeloorzaak bestaat, is het duidelijk, dat het goed-zijn het doeloorzaak-zijn insluit. Nochtans veronderstelt het goede de werkende oorzaak en de vorm-oorzaak. Zoo zien we, dat juist datgene wat zich het eerst laat gelden in het veroorzaken, het laatst verwezenlijkt wordt in het veroorzaakte. Dit is b. v. het geval met het vuur : het verwarmt vóór het den vorm van het vuur doet ontstaan, hoewel de warmte volgt op den zelfstandigheidsvorm van het vuur. In de oorzakelijkheidsreeks hebben wij dus eerst het goede en het doel, dat de werkende oorzaak in beweging brengt; dan komt de werking van de werkende oorzaak, die den vorm aanbrengt; eindelijk volgt het ontstaan van den vorm. In het uitwerksel is het echter de omgekeerde orde : het eerste is de vorm, waardoor het uitwerksel een zijnde is; het tweede is de werkende kracht, volgens welke het volmaakt is in het zijn (ieder ding toch is, volgens het woord van den Wijsgeer in het IVe Boek Over de Luchtverschijnselen, volmaakt wanneer het zijns gelijke kan vóórtbrengen) ; eindelijk volgt het goede, waardoor in het zijnde de volmaaktheid als bekroond wordt.

Ad primum ergo dicendum quod pulchrum et bonum in subiecto quidem sunt idem, quia super eandem rem fundantur, scilicet super formam, et propter hoc, bonum laudatur ut pulchrum. Sed ratione differunt. Nam bonum proprie respicit appetitum, est enim bonum quod omnia appetunt. Et ideo habet rationem finis, nam appetitus est quasi quidam motus ad rem. Pulchrum autem respicit vim cognoscitivam, pulchra enim dicuntur quae visa placent. Unde pulchrum in debita proportione consistit, quia sensus delectatur in rebus debite proportionatis, sicut in sibi similibus; nam et sensus ratio quaedam est, et omnis virtus cognoscitiva. Et quia cognitio fit per assimilationem, similitudo autem respicit formam, pulchrum proprie pertinet ad rationem causae formalis. (Iª q. 5 a. 4 ad 1)

1 — Wel zijn het goede en het schoone hetzelfde naar hun subjekt, omdat ze denzelfden grondslag hebben, nl. den vorm, en daarom wordt het goede aangezien voor iets schoons. Maar naar het begrip verschillen ze, want het goede staat in verband met het streefvermogen: het goede is immers datgene waar alles naar streeft. Daarom is het ook doeloorzaak, want het streefvermogen is als een beweging naar iets. Het schoone echter staat in verband met het kenvermogen, want die dingen zijn schoon waarvan het zien behagen opwekt. Daarom bestaat de schoonheid in een gepaste verhouding : het zintuigelijk kenvermogen geniet immers van harmonievolle dingen omdat het er zich in terugvindt. Want ook het zintuigelijk kenvermogen is een rede, zooals ieder kenvermogen. Daar nu de kennis geschiedt door gelijk worden, en de gelijkenis in betrekking staat met den vorm, staat het schoone in verband met de vorm-oorzaak.

Ad secundum dicendum quod bonum dicitur diffusivum sui esse, eo modo quo finis dicitur movere. (Iª q. 5 a. 4 ad 2)

2 — In denzelfden zin waarin het doel gezegd wordt te bewegen, wordt ook gezegd, dat het goede een neiging heeft om van z’n zijn mede te deelen.

Ad tertium dicendum quod quilibet habens voluntatem, dicitur bonus inquantum habet bonam voluntatem, quia per voluntatem utimur omnibus quae in nobis sunt. Unde non dicitur bonus homo, qui habet bonum intellectum, sed qui habet bonam voluntatem. Voluntas autem respicit finem ut obiectum proprium, et sic, quod dicitur, quia Deus est bonus, sumus, refertur ad causam finalem. (Iª q. 5 a. 4 ad 3)

3 — Ieder wezen dat met wil begaafd is, is goed in zoover zijn wil goed is: door den wil immers maken we gebruik van al wat in ons is. Een goed mensch noemt men daarom niet iemand met een goed verstand, maar alleen iemand die een goeden wil heeft. De wil nu is naar het doel gericht als naar zijn eigen voorwerp. En de woorden van Augustinus : « Wij zijn, omdat God goed is », moet men verstaan, alsof ze gezegd waren van het doel.

Articulus 5.
Bestaat het goede in maat, soort en orde?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod ratio boni non consistat in modo, specie et ordine. Bonum enim et ens ratione differunt, ut supra dictum est. Sed modus, species et ordo pertinere ad rationem entis videntur, quia, sicut dicitur Sap. XI, omnia in numero, pondere et mensura disposuisti, ad quae tria reducuntur species, modus et ordo, quia, ut dicit Augustinus, IV super Gen. ad litteram, mensura omni rei modum praefigit, et numerus omni rei speciem praebet, et pondus omnem rem ad quietem et stabilitatem trahit. Ergo ratio boni non consistit in modo, specie et ordine. (Iª q. 5 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het goede niet bestaat in maat, soort en orde. Immers, het zijnde en het goede verschillen enkel door begripsonderscheid, zooals hierboven gezegd werd. (1e Art.) Maar de maat, de soort en de orde schijnen tot het begrip van het zijnde te behooren, zooals gezegd wordt in het Boek der Wijsheid (11, 21) : « Gij hebt alles naar getal, gewicht en vasten maatstaf geschikt. » Hiertoe worden de soort, de maat en de orde herleid, zooals Augustinus zegt in het vierde Boek van zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping (IIIe H.) : « De maatstaf geeft aan ieder ding zijn juiste maat, het getal geeft de soort, en het gewicht brengt alle dingen tot rust en vastheid ». Het wezen van het goede bestaat dus niet in maat, soort en orde.

Praeterea, ipse modus, species et ordo bona quaedam sunt. Si ergo ratio boni consistit in modo, specie et ordine, oportet etiam quod modus habeat modum, speciem et ordinem, et similiter species et ordo. Ergo procederetur in infinitum. (Iª q. 5 a. 5 arg. 2)

2 — De maat, de soort en de orde zijn iets goed. Bestaat dus het wezen van het goede in maat, soort en orde, dan moet ook de maat een maat, een soort en een orde hebben; en eveneens de soort en orde. Maar zoo zou men tot in het oneindige moeten voortgaan.

Praeterea, malum est privatio modi et speciei et ordinis. Sed malum non tollit totaliter bonum. Ergo ratio boni non consistit in modo, specie et ordine. (Iª q. 5 a. 5 arg. 3)

3 — Het kwaad is het gemis van de maat, de soort en de orde. Maar het kwaad neemt het goede niet geheel weg. Dus bestaat het goede niet in maat, soort en orde. 1.5.5.arg Datgene waarin de wezenheid van het goede bestaat kan niet slecht zijn. En toch spreekt men van een slechte maat, een slechte soort en een slechte orde. Het wezen van het goede bestaat dus niet in maat, soort en orde.

Praeterea, illud in quo consistit ratio boni, non potest dici malum. Sed dicitur malus modus, mala species, malus ordo. Ergo ratio boni non consistit in modo, specie et ordine. (Iª q. 5 a. 5 arg. 4)

4 — Maat, soort en orde worden veroorzaakt door gewicht, getal en maatstaf, zooals uit de hierboven aangegeven woorden van Augustinus blijkt. Welnu niet alle dingen die goed zijn hebben getal, gewicht en maat. Zegt immers Ambrosius niet in zijn Hexaemeron (Ie Boek, IXe H.) : « Het is eigen aan het licht, niet geschapen te zijn volgens getal, gewicht en maat ». Het goede bestaat dus niet in maat, soort en orde.

Praeterea, modus, species et ordo ex pondere, numero et mensura causantur, ut ex auctoritate Augustini inducta patet. Non autem omnia bona habent pondus, numerum et mensuram, dicit enim Ambrosius, in Hexaemeron, quod lucis natura est, ut non in numero, non in pondere, non in mensura creata sit. Non ergo ratio boni consistit in modo, specie et ordine. (Iª q. 5 a. 5 arg. 5)

Sed contra est quod dicit Augustinus, in libro de natura boni, haec tria, modus, species et ordo, tanquam generalia bona sunt in rebus a Deo factis, et ita, haec tria ubi magna sunt, magna bona sunt; ubi parva, parva bona sunt; ubi nulla, nullum bonum est. Quod non esset, nisi ratio boni in eis consisteret. Ergo ratio boni consistit in modo, specie et ordine. (Iª q. 5 a. 5 s. c.)

Augustinus echter zegt in zijn Boek Over de natuur van het Goede (IIIe H.) : « Deze drie : de maat, de soort en de orde, zijn als algemeene goederen in de door God gemaakte dingen; zijn ze op groote schaal aanwezig, dan is er een groot goed; op kleine schaal, een klein goed; zijn ze er volstrekt niet, dan is er geen goed ». Welnu, dit zou niet gebeuren indien het goede niet in die drie kenmerken bestond. Dus bestaat het goede in de maat, de soort en de orde.

Respondeo dicendum quod unumquodque dicitur bonum, inquantum est perfectum, sic enim est appetibile, ut supra dictum est. Perfectum autem dicitur, cui nihil deest secundum modum suae perfectionis. Cum autem unumquodque sit id quod est, per suam formam; forma autem praesupponit quaedam, et quaedam ad ipsam ex necessitate consequuntur; ad hoc quod aliquid sit perfectum et bonum, necesse est quod formam habeat, et ea quae praeexiguntur ad eam, et ea quae consequuntur ad ipsam. Praeexigitur autem ad formam determinatio sive commensuratio principiorum, seu materialium, seu efficientium ipsam, et hoc significatur per modum, unde dicitur quod mensura modum praefigit. Ipsa autem forma significatur per speciem, quia per formam unumquodque in specie constituitur. Et propter hoc dicitur quod numerus speciem praebet, quia definitiones significantes speciem sunt sicut numeri, secundum philosophum in VIII Metaphys.; sicut enim unitas addita vel subtracta variat speciem numeri, ita in definitionibus differentia apposita vel subtracta. Ad formam autem consequitur inclinatio ad finem, aut ad actionem, aut ad aliquid huiusmodi, quia unumquodque, inquantum est actu, agit, et tendit in id quod sibi convenit secundum suam formam. Et hoc pertinet ad pondus et ordinem. Unde ratio boni, secundum quod consistit in perfectione, consistit etiam in modo, specie et ordine. (Iª q. 5 a. 5 co.)

Alles wordt goed genoemd, in zoover het volmaakt is. Daarom immers is het begeerlijk, zooals hierboven gezegd werd. (1e en 3e Art.) Volmaakt is datgene waaraan volgens den aard van zijn volmaaktheid niets ontbreekt. Maar al wat is, is door zijn vorm, en de vorm veronderstelt sommige dingen, terwijl andere dingen er noodzakelijk uit voortvloeien. Daarom moet iets, om volmaakt en goed te zijn, een vorm hebben, alsmede alles wat er aan voorafgaat en wat er op volgt. De vorm veronderstelt de bepaling of verhouding, ófwel der stoffelijke, ófwel der werkende beginselen. Dit juist wordt met de maat bedoeld, en daarom zegt men, dat de maatstaf tot de maat voert. De vorm zelf wordt aangeduid door de soort; iets hoort immers tot een bepaalde soort door zijn vorm. Daarom vergelijkt men de soorten met de getallen; zooals de Wijsgeer zegt in het VIIIe Boek der Metaphysica (VIIe B., IIIe H., Nr 8) zijn de bepalingen der soorten als getallen, want evenals het getal verandert door toevoeging of aftrekking van een eenheid, zoo wordt in de bepaling de soort veranderd door er het soortelijk verschil aan toe te voegen of af te nemen. Op den vorm volgt de doelstreving of de neiging naar de handeling of naar iets dergelijks : alle dingen immers handelen, en streven, in zoover ze in akt zijn, naar hetgeen hun volgens hun vorm past. Dit nu staat in betrekking met gewicht en orde. Het begrip van het goede, in zoover het dat van volmaaktzijn dekt, is dus gelegen in maat, soort en orde.

Ad primum ergo dicendum quod ista tria non consequuntur ens, nisi inquantum est perfectum, et secundum hoc est bonum. (Iª q. 5 a. 5 ad 1)

1 — Die drie dingen volgen slechts op het zijnde in zoover het volmaakt is; en in dien zin is het zijnde ook goed.

Ad secundum dicendum quod modus, species et ordo eo modo dicuntur bona, sicut et entia, non quia ipsa sint quasi subsistentia, sed quia eis alia sunt et entia et bona. Unde non oportet quod ipsa habeant aliqua alia, quibus sint bona. Non enim sic dicuntur bona, quasi formaliter aliis sint bona; sed quia ipsis formaliter aliqua sunt bona; sicut albedo non dicitur ens quia ipsa aliquo sit, sed quia ipsa aliquid est secundum quid, scilicet album. (Iª q. 5 a. 5 ad 2)

2 — De maat, de soort en de orde zijn iets goed, juist, gelijk ze wezens zijn; niet dat ze op zichzélf bestaan, maar omdat door hun toedoen andere dingen zijn en goed zijn. Dus behoeven er geen andere dingen te zijn waardoor zij goed zijn. Ze zijn immers niet goed in dien zin, dat ze door andere dingen als door hun wezensvorm goed zouden zijn, maar in dien zin, dat door hen sommige dingen goed zijn als door hun wezensvorm : zoo is ook het witte geen zijnde in dien zin, als zou het door iets anders zijn, maar wel in dien zin dat daardoor iets op een bijkomstige wijze is, nl. wit is.

Ad tertium dicendum quod quodlibet esse est secundum formam aliquam, unde secundum quodlibet esse rei, consequuntur ipsam modus, species et ordo, sicut homo habet speciem, modum et ordinem, inquantum est homo; et similiter inquantum est albus, habet similiter modum, speciem et ordinem; et inquantum est virtuosus, et inquantum est sciens, et secundum omnia quae de ipso dicuntur. Malum autem privat quodam esse, sicut caecitas privat esse visus, unde non tollit omnem modum, speciem et ordinem; sed solum modum, speciem et ordinem quae consequuntur esse visus. (Iª q. 5 a. 5 ad 3)

3 — Ieder zijn is volgens eenigen vorm. De maat, de soort en de orde volgen dus op elk zijn; zoo heeft de mensch een maat, een soort en een orde, in zoover hij mensch is; en hetzelfde geldt voor hem in zoover hij wit is, en in zoover hij deugdzaam is, en in zoover hij geleerd is, en voor alles wat van hem gezegd wordt. Het kwade nu berooft den mensch van een zeker zijn, zooals b. v. de blindheid van het ziende-zijn : dit neemt niet iedere maat, soort en orde weg, maar alleen die maat, soort en orde, die liggen opgesloten in het ziende-zijn.

Ad quartum dicendum quod, sicut dicit Augustinus in libro de natura boni, omnis modus, inquantum modus, bonus est (et sic potest dici de specie et ordine), sed malus modus, vel mala species, vel malus ordo, aut ideo dicuntur quia minora sunt quam esse debuerunt; aut quia non his rebus accommodantur, quibus accommodanda sunt; ut ideo dicantur mala, quia sunt aliena et incongrua. (Iª q. 5 a. 5 ad 4)

4 — We antwoorden met Augustinus in zijn Boek Over de natuur van het Goede (22e en 23e H.) : « Elke maat, als zoodanig, is goed. (En hetzelfde geldt van de soort en de orde.) Men spreekt nu van een slechte maat, soort of orde, omdat zij niet gegeven zijn in de maat waarin het moest, of omdat zij niet aangepast zijn aan de dingen waarbij ze hooren; zij worden slecht genoemd omdat ze oneigen en ongepast zijn. » Wanneer men zegt, dat het licht geen getal, gewicht en maat heeft, dan wil men dit niet absoluut beweren, maar alleen in zoover men het licht vergelijkt bij de lichamelijke dingen; de kracht van het licht strekt zich immers uit tot alle lichamelijke dingen, omdat het een werkdadige hoedanigheid is van het eerste lichaam, dat oorzaak van verandering is, nl. de hemel.

Ad quintum dicendum quod natura lucis dicitur esse sine numero et pondere et mensura, non simpliciter, sed per comparationem ad corporalia, quia virtus lucis ad omnia corporalia se extendit, inquantum est qualitas activa primi corporis alterantis, scilicet caeli. (Iª q. 5 a. 5 ad 5)