QuaestioArticulus

Prima pars. Quaestio 6.
Over Gods goed-zijn .

Prooemium

Deinde quaeritur de bonitate Dei. Et circa hoc quaeruntur quatuor. Primo, utrum esse bonum conveniat Deo. Secundo, utrum Deus sit summum bonum. Tertio, utrum ipse solus sit bonus per suam essentiam. Quarto, utrum omnia sint bona bonitate divina. (Iª q. 6 pr.)

Nu dienen we Gods goed-zijn te behandelen, en daaromtrent worden er vier vragen gesteld : 1e) Komt het aan God toe, goed te zijn? 2e) Is God het opperste goed? 3e) Is Hij alleen naar zijn wezenheid goed? 4e) Zijn alle dingen goed door het goddelijk goed-zijn?

Articulus 1.
Komt het aan God toe goed te zijn?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod esse bonum non conveniat Deo. Ratio enim boni consistit in modo, specie et ordine. Haec autem non videntur Deo convenire, cum Deus immensus sit, et ad aliquid non ordinetur. Ergo esse bonum non convenit Deo. (Iª q. 6 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het aan God niet toekomt goed te zijn. Het goede immers bestaat in maat, soort en orde. Welnu deze komen aan God niet toe, aangezien hij onmetelijk is en tot niets anders geordend. Het komt dus aan God niet toe, goed te zijn.

Praeterea, bonum est quod omnia appetunt. Sed Deum non omnia appetunt, quia non omnia cognoscunt ipsum, nihil autem appetitur nisi notum. Ergo esse bonum non convenit Deo. (Iª q. 6 a. 1 arg. 2)

2 — Het goede is datgene waar alles naar streeft. Welnu, niet alles streeft naar God, omdat niet alle wezens God kennen, en men enkel naar iets streeft voor zoover men het kent. God is dus niet goed.

Sed contra est quod dicitur Thren. III, bonus est dominus sperantibus in eum, animae quaerenti illum. (Iª q. 6 a. 1 s. c.)

Jeremias echter zegt (3, 25) : « De Heer is goed voor hen die op Hem hopen, en Voor diegenen die naar Hem zoeken ».

Respondeo dicendum quod bonum esse praecipue Deo convenit. Bonum enim aliquid est, secundum quod est appetibile. Unumquodque autem appetit suam perfectionem. Perfectio autem et forma effectus est quaedam similitudo agentis, cum omne agens agat sibi simile. Unde ipsum agens est appetibile, et habet rationem boni, hoc enim est quod de ipso appetitur, ut eius similitudo participetur. Cum ergo Deus sit prima causa effectiva omnium, manifestum est quod sibi competit ratio boni et appetibilis. Unde Dionysius, in libro de Div. Nom., attribuit bonum Deo sicut primae causae efficienti, dicens quod bonus dicitur Deus, sicut ex quo omnia subsistunt. (Iª q. 6 a. 1 co.)

Het komt in de eerste plaats aan God toe goed te zijn. Iets is immers goed in zoover het begeerlijk is. Welnu, alles begeert zijn volmaaktheid. Maar de volmaaktheid en de vorm van het uitwerksel zijn een zekere gelijkenis met de werkende oorzaak, daar iedere werkende oorzaak haars gelijke voortbrengt. Daaruit volgt, dat elke werkende oorzaak begeerlijk is en dus goed, want dit wordt er in begeerd, er aan gelijk te worden. Daar God nu de eerste werkende oorzaak is van alles, is het duidelijk, dat het Hem toekomt goed te zijn en begeerlijk. Daarom kent Dionysius in zijn werk Over de Goddelijke Namen het goede toe aan God als aan de eerste werkende oorzaak, zeggende, dat God goed is « omdat alles door Hem bestaat ».

Ad primum ergo dicendum quod habere modum, speciem et ordinem, pertinet ad rationem boni causati. Sed bonum in Deo est sicut in causa, unde ad eum pertinet imponere aliis modum, speciem et ordinem. Unde ista tria sunt in Deo sicut in causa. (Iª q. 6 a. 1 ad 1)

1 — De maat, de soort en de orde zijn eigenschappen van het geschapen goed. In God is het goede als in zijn oorzaak; het komt Hem dan ook toe aan de andere dingen maat, soort en orde op te leggen, die dus in God zijn als in hun oorzaak.

Ad secundum dicendum quod omnia, appetendo proprias perfectiones, appetunt ipsum Deum, inquantum perfectiones omnium rerum sunt quaedam similitudines divini esse, ut ex dictis patet. Et sic eorum quae Deum appetunt, quaedam cognoscunt ipsum secundum seipsum, quod est proprium creaturae rationalis. Quaedam vero cognoscunt aliquas participationes suae bonitatis, quod etiam extenditur usque ad cognitionem sensibilem. Quaedam vero appetitum naturalem habent absque cognitione, utpote inclinata ad suos fines ab alio superiori cognoscente. (Iª q. 6 a. 1 ad 2)

2 — Alle dingen streven naar God zelf, doordat ze naar hun eigen volmaaktheid streven, in zoover nl. de volmaaktheden van alle dingen afbeeldingen zijn van het goddelijk wezen, zooals blijkt uit hetgeen we vroeger reeds zeiden (IVe Kw., 3e A.). Zoo zijn er onder de wezens, die naar God streven, sommige, welke Hem naar Hemzelf kennen : het zijn de redelijke schepselen. Andere kennen Hem alleen naar enkele mededeelingen van zijn goed-zijn : het zijn de zintuigelijk-kennende wezens. Ten slotte zijn er schepselen welke een natuurstreving bezitten zonder kennis; ze neigen naar hun doel onder den invloed van een hooger, met kennis begaafd wezen.

Articulus 2.
Is God hét opperste goed?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Deus non sit summum bonum. Summum enim bonum addit aliquid supra bonum, alioquin omni bono conveniret. Sed omne quod se habet ex additione ad aliquid, est compositum. Ergo summum bonum est compositum. Sed Deus est summe simplex, ut supra ostensum est. Ergo Deus non est summum bonum. (Iª q. 6 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat God het opperste goed niet is. Het opperste goed voegt immers iets toe aan het goede, anders zou het eigen zijn aan alle goed. Welnu iets waaraan iets anders toegevoegd wordt, is samengesteld. Dus is het opperste goed samengesteld. Welnu God is volstrekt enkelvoudig, zooals hierboven werd bewezen. (IIIe Kw., 7e Art.) Dus is God het opperste goed niet.

Praeterea, bonum est quod omnia appetunt, ut dicit philosophus. Sed nihil aliud est quod omnia appetunt, nisi solus Deus, qui est finis omnium. Ergo nihil aliud est bonum nisi Deus. Quod etiam videtur per id quod dicitur Matth. XIX, nemo bonus nisi solus Deus. Sed summum dicitur in comparatione aliorum; sicut summum calidum in comparatione ad omnia calida. Ergo Deus non potest dici summum bonum. (Iª q. 6 a. 2 arg. 2)

2 — Het goede is datgene waar alles naar streeft, zooals de Wijsgeer zegt (Ie Boek zijner Ethica, Ie H., Nr 1). Welnu, buiten God. die het einddoel is van alles, wordt niets gevonden, waar alles naar streeft. Er is dus niets goed buiten God. Dit blijkt ook uit de woorden van Mattheus (19,17) : « Niemand is goed, tenzij God alleen ». Maar men spreekt van het hoogste, in vergelijking met de andere, zooals van het warmste, in vergelijking met alle warme dingen. Dus mag men God niet het hoogste goed noemen.

Praeterea, summum comparationem importat. Sed quae non sunt unius generis, non sunt comparabilia; sicut dulcedo inconvenienter dicitur maior vel minor quam linea. Cum igitur Deus non sit in eodem genere cum aliis bonis, ut ex superioribus patet, videtur quod Deus non possit dici summum bonum respectu eorum. (Iª q. 6 a. 2 arg. 3)

3 — Het opperste veronderstelt een vergelijking. Welnu, dingen die niet tot hetzelfde geslacht behooren, kunnen bij elkaar niet vergeleken worden. Zoo kan men van iets zoets niet zeggen dat het meer of minder zoet is dan een lijn. Omdat God nu niet tot hetzelfde geslacht behoort als de andere goede wezens, zooals blijkt uit het voorgaande (IIIe Kw., 5e Art.; IVe Kw., 3e Art., antw. op de 3e bed.), is het duidelijk, dat men God niet het opperste goed mag noemen, met betrekking tot de andere goede wezens.

Sed contra est quod dicit Augustinus, I de Trin., quod Trinitas divinarum personarum est summum bonum, quod purgatissimis mentibus cernitur. (Iª q. 6 a. 2 s. c.)

Volgens Augustinus echter in het Ie Boek van zijn werk Over de Drieëenheid (IIe H.) is de H. Drievuldigheid het opperste goed, dat aanschouwd wordt door zeer zuivere zielen.

Respondeo dicendum quod Deus est summum bonum simpliciter, et non solum in aliquo genere vel ordine rerum. Sic enim bonum Deo attribuitur, ut dictum est, inquantum omnes perfectiones desideratae effluunt ab eo, sicut a prima causa. Non autem effluunt ab eo sicut ab agente univoco, ut ex superioribus patet, sed sicut ab agente quod non convenit cum suis effectibus, neque in ratione speciei, nec in ratione generis. Similitudo autem effectus in causa quidem univoca invenitur uniformiter, in causa autem aequivoca invenitur excellentius, sicut calor excellentiori modo est in sole quam in igne. Sic ergo oportet quod cum bonum sit in Deo sicut in prima causa omnium non univoca, quod sit in eo excellentissimo modo. Et propter hoc dicitur summum bonum. (Iª q. 6 a. 2 co.)

God is het opperste goed, zonder meer, en niet enkel het hoogste in een bepaalde orde of geslacht. We hebben aan God het goede toegekend, omdat al de nagestreefde volmaaktheden van Hem uitgaan als van hun eerste oorzaak, zooals we hierboven zeiden (1e Art.). Ze gaan echter niet van God uit als van een gelijksoortige oorzaak, zooals blijkt uit wat vroeger gezegd werd (IVe Kw., 3e Art.), maar ze gaan van Hem uit als van een oorzaak die niet van denzelfden aard is als haar uitwerkselen, noch in soort, noch in geslacht. Want bij een gelijksoortige oorzaak is de gelijkenis tusschen uitwerksel en oorzaak dezelfde, bij een ongelijksoortige oorzaak echter niet, omdat deze verhevener is dan het uitwerksel. Zoo is b. v. de warmte op een verhevener wijze in de zon dan in het vuur. Hieruit leiden we af, dat, aangezien het goede in God is als in de eerste niet gelijksoortige oorzaak van alles, dit in Hem is op de verhevenste wijze. En daarom zeggen we, dat Hij het opperste goed is.

Ad primum ergo dicendum quod summum bonum addit super bonum, non rem aliquam absolutam, sed relationem tantum. Relatio autem qua aliquid de Deo dicitur relative ad creaturas, non est realiter in Deo, sed in creatura; in Deo vero secundum rationem; sicut scibile relative dicitur ad scientiam, non quia ad ipsam referatur, sed quia scientia refertur ad ipsum. Et sic non oportet quod in summo bono sit aliqua compositio, sed solum quod alia deficiant ab ipso. (Iª q. 6 a. 2 ad 1)

1 — Het opperste goed voegt aan het goede geen absolute werkelijkheid toe, doch enkel een betrekking. De betrekking nu, volgens welke iets van God gezegd wordt met betrekking tot de schepselen, is niet werkelijk in God, maar alleen in de schepselen; in God is ze een begripsding. Zoo is er ook een betrekking tusschen de kennis en het kenbare, niet in zoover het kenbare in betrekking staat tot de kennis, maar in zoover de kennis in betrekking staat tot het kenbare. En zoo is er ook in het opperste goed geen samenstelling, maar staan alle dingen er verre bij ten achter.

Ad secundum dicendum quod, cum dicitur bonum est quod omnia appetunt, non sic intelligitur quasi unumquodque bonum ab omnibus appetatur, sed quia quidquid appetitur, rationem boni habet. Quod autem dicitur, nemo bonus nisi solus Deus, intelligitur de bono per essentiam, ut post dicetur. (Iª q. 6 a. 2 ad 2)

2 — Het gezegde : « Het goede is datgene waar alles naar streeft », moet niet aldus begrepen worden, alsof elk goed door allen werd nagestreefd, doch in dien zin, dat alles wat nagestreefd wordt eenig goed is. Wanneer Lucas zegt : « Buiten God is niemand goed », dient dit verklaard te worden van het goede naar zijn wezenheid, zooals straks zal gezegd worden (volg. Art.).

Ad tertium dicendum quod ea quae non sunt in eodem genere, si quidem sint in diversis generibus contenta, nullo modo comparabilia sunt. De Deo autem negatur esse in eodem genere cum aliis bonis, non quod ipse sit in quodam alio genere; sed quia ipse est extra genus, et principium omnis generis. Et sic comparatur ad alia per excessum. Et huiusmodi comparationem importat summum bonum. (Iª q. 6 a. 2 ad 3)

3 — Dingen welke tot verschillende geslachten behooren, en niet tot hetzelfde geslacht, zijn niet te vergelijken. Welnu, God behoort niet tot hetzelfde geslacht als het andere goed, niet in dien zin echter als zou Hij in eenig ander geslacht zijn, maar in dien zin, dat Hij boven alle geslachten is, en het beginsel van alle geslachten. Hij wordt dus op overtreffende wijze met de anderen vergeleken. En zoo kan er spraak zijn van een vergelijking bij het opperste goed.

Articulus 3.
Is God alleen naar zijn wezenheid goed?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod esse bonum per essentiam non sit proprium Dei. Sicut enim unum convertitur cum ente, ita et bonum, ut supra habitum est. Sed omne ens est unum per suam essentiam, ut patet per philosophum in IV Metaphys. Ergo omne ens est bonum per suam essentiam. (Iª q. 6 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat God niet alleen naar zijn wezenheid goed is. Zooals immers het ééne met het zijnde omkeerbaar is, zoo is ook het goede er mede omkeerbaar, zooals hierboven bewezen is. (Ve Kw., 1e Art.) Welnu, elk zijnde is naar zijn wezenheid één. Dus is het ook naar zijn wezenheid goed.

Praeterea, si bonum est quod omnia appetunt, cum ipsum esse sit desideratum ab omnibus, ipsum esse cuiuslibet rei est eius bonum. Sed quaelibet res est ens per suam essentiam. Ergo quaelibet res est bona per suam essentiam. (Iª q. 6 a. 3 arg. 2)

2 — Het goede is datgene, waar alles naar streeft. En daar alles naar het zijn streeft, is het zijn van ieder ding zijn goed. Welnu ieder ding is door zijn wezenheid, zooals de Wijsgeer zegt in het IVe Boek der Metaphysica (IIIe B., IIe H., Nr 5). Dus is ieder ding ook goed door zijn wezenheid.

Praeterea, omnis res per suam bonitatem est bona. Si igitur aliqua res est quae non sit bona per suam essentiam, oportebit quod eius bonitas non sit sua essentia. Illa ergo bonitas, cum sit ens quoddam, oportet quod sit bona, et si quidem alia bonitate, iterum de illa bonitate quaeretur. Aut ergo erit procedere in infinitum, aut venire ad aliquam bonitatem quae non erit bona per aliam bonitatem. Eadem ergo ratione standum est in primo. Res igitur quaelibet est bona per suam essentiam. (Iª q. 6 a. 3 arg. 3)

3 — Ieder ding is goed door zijn goed-zijn. Is er dus iets dat niet door zijn wezenheid goed is, dan zal zijn goed-zijn zijn wezenheid niet zijn. En daar dit goed-zijn een zijnde is, moet dit zijnde ook goed zijn; en nog eens geldt hetzelfde voor dit goed-zijn. We zijn dus verplicht, ófwel tot in het oneindige op te klimmen, ófwel te komen tot een goed-zijn, dat niet goed is door eenig vreemd goed-zijn. Om dezelfde reden moeten wij ons aan het eerste houden. Ieder ding is dus goed naar zijn wezenheid.

Sed contra est quod dicit Boetius, in libro de Hebdomad., quod alia omnia a Deo sunt bona per participationem. Non igitur per essentiam. (Iª q. 6 a. 3 s. c.)

Boëtius zegt daarentegen in zijn Boek Over de Tijdstippen, dat alle dingen buiten God deel hebben aan zijn goed-zijn. Ze zijn dus niet goed naar hun wezenheid.

Respondeo dicendum quod solus Deus est bonus per suam essentiam. Unumquodque enim dicitur bonum, secundum quod est perfectum. Perfectio autem alicuius rei triplex est. Prima quidem, secundum quod in suo esse constituitur. Secunda vero, prout ei aliqua accidentia superadduntur, ad suam perfectam operationem necessaria. Tertia vero perfectio alicuius est per hoc, quod aliquid aliud attingit sicut finem. Utpote prima perfectio ignis consistit in esse, quod habet per suam formam substantialem, secunda vero eius perfectio consistit in caliditate, levitate et siccitate, et huiusmodi, tertia vero perfectio eius est secundum quod in loco suo quiescit. Haec autem triplex perfectio nulli creato competit secundum suam essentiam, sed soli Deo, cuius solius essentia est suum esse; et cui non adveniunt aliqua accidentia; sed quae de aliis dicuntur accidentaliter, sibi conveniunt essentialiter, ut esse potentem, sapientem, et huiusmodi, sicut ex dictis patet. Ipse etiam ad nihil aliud ordinatur sicut ad finem, sed ipse est ultimus finis omnium rerum. Unde manifestum est quod solus Deus habet omnimodam perfectionem secundum suam essentiam. Et ideo ipse solus est bonus per suam essentiam. (Iª q. 6 a. 3 co.)

God alleen is naar zijn wezenheid goed. Immers, iets is goed in zoover het volmaakt is. Welnu, de volmaaktheid van een ding is drievoudig, want een ding is volmaakt : 1) in zoover Het is; 2) in zoover er eenige bijkomstigheden aan toegevoegd worden, noodig voor de volmaaktheid zijner werking; 3) in zoover het iets anders bereikt dan zijn doel. Passen wij dit toe op het vuur : zijn eerste volmaaktheid bestaat in het zijn, dat het heeft door zijn zelstandigheidsvorm. Zijn tweede volmaaktheid bestaat in de warmte, het licht, de droogte, enz. Zijn derde volmaaktheid is, dat het op zijn plaats blijft rusten. Die drievoudige volmaaktheid komt aan geen enkel schepsel toe naar zijn wezen, maar alleen aan God. Alleen Gods wezenheid is immers gelijk aan zijn bestaan, en alleen zijn wezen kent geen bijkomstigheden. Want wat van andere wezens op bijkomstige wijze gezegd wordt, dat komt aan God toe naar zijn wezenheid, b. v. de macht, de wijsheid, enz., zooals blijkt uit het hierboven gezegde. (IIIe Kw., 6e Art.) Ook is God niet tot iets anders geordend als tot zijn doel, want Hij is zelf het einddoel van alle dingen. Het is dus duidelijk, dat God alleen naar zijn wezenheid iedere volmaaktheid bezit. En daarom is Hij alléén naar zijn wezenheid goed.

Ad primum ergo dicendum quod unum non importat rationem perfectionis, sed indivisionis tantum, quae unicuique rei competit secundum suam essentiam. Simplicium autem essentiae sunt indivisae et actu et potentia, compositorum vero essentiae sunt indivisae secundum actum tantum. Et ideo oportet quod quaelibet res sit una per suam essentiam, non autem bona, ut ostensum est. (Iª q. 6 a. 3 ad 1)

1 — Eenheid beteekent geen volmaaktheid, maar alleen onverdeeldheid, die onverdeeldheid nl. die aan élk wezen toekomt naar zijn wezenheid. De wezenheid der enkelvoudige dingen is onverdeeld én in feitelijkheid, én in aanleg, terwijl de wezenheid der samengestelde dingen enkel in feitelijkheid onverdeeld is. En daarom moet ieder ding één zijn naar zijn wezenheid; echter niet goed naar zijn wezenheid, zooals in de leerstelling werd uiteengezet.

Ad secundum dicendum quod, licet unumquodque sit bonum inquantum habet esse, tamen essentia rei creatae non est ipsum esse, et ideo non sequitur quod res creata sit bona per suam essentiam. (Iª q. 6 a. 3 ad 2)

2 — Ofschoon ieder ding goed is omdat het is, volgt hieruit toch niet, dat de wezenheid van een geschapen ding zijn bestaan is. En daarom is een geschapen ding niet goed naar zijn wezenheid.

Ad tertium dicendum quod bonitas rei creatae non est ipsa eius essentia, sed aliquid superadditum; vel ipsum esse eius, vel aliqua perfectio superaddita, vel ordo ad finem. Ipsa tamen bonitas sic superaddita dicitur bona sicut et ens, hac autem ratione dicitur ens, quia ea est aliquid, non quia ipsa aliquo alio sit. Unde hac ratione dicitur bona, quia ea est aliquid bonum, non quia ipsa habeat aliquam aliam bonitatem, qua sit bona. (Iª q. 6 a. 3 ad 3)

3 — Het goed-zijn van het geschapen ding is zijn wezenheid niet, maar iets wat er aan toegevoegd is, ofwel zijn bestaan, ofwel een bijkomstige volmaaktheid, ofwel zijn ordening naar een doel. Die toegevoegde goedheid is goed, evenals ze een zijnde is. Welnu, ze is een zijnde, omdat door haar iets is, niet alsof zij zelf door iets anders was. Dus is dit toegevoegd goed-zijn goed, omdat daardoor iets goed is, maar niet in dien zin, dat het goed is door een ander goed-zijn.

Articulus 4.
Zijn alle dingen goed door het goddelijk goed-zijn?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod omnia sint bona bonitate divina. Dicit enim Augustinus, VII de Trin., bonum hoc et bonum illud, tolle hoc et tolle illud, et vide ipsum bonum, si potes, ita Deum videbis, non alio bono bonum, sed bonum omnis boni. Sed unumquodque est bonum suo bono. Ergo unumquodque est bonum ipso bono quod est Deus. (Iª q. 6 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat alles goed is door het goddelijk goed-zijn. Augustinus zegt immers in zijn werk Over de Drieëenheid (VIIIe B., 3e H.) : « Er is dit goed en dat goed. Neem beide weg, en aanschouw het goede zelf, als ge kunt. Dan zult gij God zien, die niet goed is door een ander goed, maar het goede is van alle goed ». Welnu alles is goed door zijn goed. Dus is alles goed door het goede, dat God is.

Praeterea, sicut dicit Boetius, in libro de Hebdomad., omnia dicuntur bona inquantum ordinantur ad Deum, et hoc ratione bonitatis divinae. Ergo omnia sunt bona bonitate divina. (Iª q. 6 a. 4 arg. 2)

2 — Boëtius zegt in zijn werk Over de Tijdstippen, dat alle dingen goed zijn in zoover ze tot God geordend zijn; maar ze zijn tot God geordend om de goddelijke goedheid. Alles is dus goed door het goddelijk goed-zijn.

Sed contra est quod omnia sunt bona inquantum sunt. Sed non dicuntur omnia entia per esse divinum, sed per esse proprium. Ergo non omnia sunt bona bonitate divina, sed bonitate propria. (Iª q. 6 a. 4 s. c.)

Daar kan echter tegen worden ingebracht, dat alle dingen goed zijn in zoover ze bestaan. Welnu de dingen bestaan, niet door het goddelijk bestaan, maar door hun eigen bestaan. Dus zijn alle dingen niet goed door het goddelijk goed-zijn, maar door hun eigen goed-zijn.

Respondeo dicendum quod nihil prohibet in his quae relationem important, aliquid ab extrinseco denominari; sicut aliquid denominatur locatum a loco, et mensuratum a mensura. Circa vero ea quae absolute dicuntur, diversa fuit opinio. Plato enim posuit omnium rerum species separatas; et quod ab eis individua denominantur, quasi species separatas participando; ut puta quod Socrates dicitur homo secundum ideam hominis separatam. Et sicut ponebat ideam hominis et equi separatam, quam vocabat per se hominem et per se equum, ita ponebat ideam entis et ideam unius separatam, quam dicebat per se ens et per se unum, et eius participatione unumquodque dicitur ens vel unum. Hoc autem quod est per se bonum et per se unum, ponebat esse summum Deum, a quo omnia dicuntur bona per modum participationis. Et quamvis haec opinio irrationabilis videatur quantum ad hoc, quod ponebat species rerum naturalium separatas per se subsistentes, ut Aristoteles multipliciter probat; tamen hoc absolute verum est, quod est aliquod unum per essentiam suam bonum, quod dicimus Deum, ut ex superioribus patet. Huic etiam sententiae concordat Aristoteles. A primo igitur per suam essentiam ente et bono, unumquodque potest dici bonum et ens, inquantum participat ipsum per modum cuiusdam assimilationis, licet remote et deficienter, ut ex superioribus patet. Sic ergo unumquodque dicitur bonum bonitate divina, sicut primo principio exemplari, effectivo et finali totius bonitatis. Nihilominus tamen unumquodque dicitur bonum similitudine divinae bonitatis sibi inhaerente, quae est formaliter sua bonitas denominans ipsum. Et sic est bonitas una omnium; et etiam multae bonitates. (Iª q. 6 a. 4 co.)

De dingen die met andere in betrekking staan, kunnen zeer goed aangeduid worden door iets wat buiten hen ligt. Zoo zegt men, dat iets « geplaatst » is, naar de ingenomen plaats; « gemeten », naar den aangelegden maatstaf. Wat echter de absolute dingen betreft, hierover loopen de meeningen uiteen. Plato nam immers aan, dat van alle dingen de soort-begrippen een afzonderlijk bestaan hadden; voor hem worden dan de enkelingen naar die soorten genoemd, als aan die op zich bestaande soorten deelachtig. Zoo is Socrates een mensch omdat hij deelachtig is aan de afzonderlijk-bestaande idee van mensch. Evenals Plato de afzonderlijk-bestaande idee van mensch en van paard aannam, die hij noemde : de mensch-op-zich-zelf en het paard-op-zich-zelf, zoo nam hij ook de afzonderlijk-bestaande ideeën aan van het zijnde en van het ééne, die hij noemde : het zijnde-op-zich-zelf en het eene-op-zich-zelf; voor hem wordt alles u zijnde » of « één » genoemd, omdat het deelachtig is aan dat zijnde en aan dat ééne. Daar nu verder het goede omkeerbaar is met het zijnde, zooals ook het ééne er mee omkeerbaar is, daarom noemde hij het goede-op-zich-zelf, God, en worden volgens hem alle dingen goed genoemd om hun deelhebben aan Gods goed-zijn. Die meening is echter onredelijk, in zoover ze het afzonderlijk bestaan der natuurlijke soorten aanneemt, wat dan ook de herhaalde grief is van Aristoteles. Maar volstrekt zeker, is het, dat er een eerste wezen is, dat door zijn wezenheid is en goed is, en dat we God noemen, zooals hierboven bewezen werd (IIe Kw., 3e Art.), en wat ook Aristoteles aanneemt. Ieder wezen mag dus goed en zijnde genoemd worden in zoover het door een zekere gelijkwording deel heeft aan het eerste zijnde, dat door zijn wezenheid is en goed is. Die deelname echter is er slechts een verwijderde en bovendien zeer gebrekkige, zooals hierboven werd uiteengezet. (IVe Kw., 3e Art.) Alles is dus goed door het goddelijk goed-zijn, dat de eerste voorbeeld-oorzaak, de eerste werkende oorzaak en het laatste doel is van elk goedzijn. Maar bovendien is alles goed door een gelijkenis met het goddelijk goed-zijn, dat op elk wezen uitgedrukt is; en die gelijkenis komt aan ieder ding formeel toe, en naar haar wordt alles benoemd. Zoo kan men tevens zeggen én dat er één goedheid is in alle dingen, én dat er vele zijn. En hieruit blijkt het antwoord op de bedenkingen.

Et per hoc patet responsio ad obiecta. (Iª q. 6 a. 4 ad arg.)