QuaestioArticulus

Prima pars. Quaestio 23.
Over de voorbestemming .

Prooemium

Post considerationem divinae providentiae, agendum est de praedestinatione, et de libro vitae. Et circa praedestinationem quaeruntur octo. Primo, utrum Deo conveniat praedestinatio. Secundo, quid sit praedestinatio; et utrum ponat aliquid in praedestinato. Tertio, utrum Deo competat reprobatio aliquorum hominum. Quarto, de comparatione praedestinationis ad electionem; utrum scilicet praedestinati eligantur. Quinto, utrum merita sint causa vel ratio praedestinationis, vel reprobationis, aut electionis. Sexto, de certitudine praedestinationis; utrum scilicet praedestinati infallibiliter salventur. Septimo, utrum numerus praedestinatorum sit certus. Octavo, utrum praedestinatio possit iuvari precibus sanctorum. (Iª q. 23 pr.)

Na Gods voorzienigheid, moeten we de voorbestemming behandelen en het Boek des Levens. Over de voorbestemming stellen we acht vragen : 1e) Komt de voorbestemming aan God toe ? 2e) Wat is de voorbestemming, en bestaat ze alleen in God, of ook in de voorbestemden ? 3e) Worden sommige menschen door God verworpen ? 4e) Hoe verhouden de voorbestemden zich tot de keuze: worden ze uitverkoren ? 5e) Zijn de verdiensten de oorzaak of de reden van de voorbestemming ? 6e) Over de zekerheid van de voorbestemming : worden de voorbestemden onvermijdelijk zalig ? 7e) Staat het aantal van de voorbestemden vast? 8e) Kan de voorbestemming bevorderd worden door de gebeden der Heiligen ?

Articulus 1.
Worden de menschen door God voorbestemd?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod homines non praedestinentur a Deo. Dicit enim Damascenus, in II libro, oportet cognoscere quod omnia quidem praecognoscit Deus, non autem omnia praedeterminat. Praecognoscit enim ea quae in nobis sunt; non autem praedeterminat ea. Sed merita et demerita humana sunt in nobis, inquantum sumus nostrorum actuum domini per liberum arbitrium. Ea ergo quae pertinent ad meritum vel demeritum, non praedestinantur a Deo. Et sic hominum praedestinatio tollitur. (Iª q. 23 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de menschen door God niet voorbestemd worden. Volgens Damascenus immers (Over het Ware Geloof, IIe B., XXXe H.) moet men aannemen, dat God alles vooraf kent, maar niet, dat alles door Hem vooraf wordt bepaald. Hij kent wel vooraf wat in ons is, maar bepaalt het niet vooraf. Welnu, de verdienste en strafwaardigheid der menschen zijn in ons, in zoover we door onze wilsvrijheid meester zijn over onze handelingen. Bijgevolg is er geen voorbestemming met betrekking tot verdienste en strafwaardigheid, en dus geen voorbestemming van de menschen.

Praeterea, omnes creaturae ordinantur ad suos fines per divinam providentiam, ut supra dictum est. Sed aliae creaturae non dicuntur praedestinari a Deo. Ergo nec homines. (Iª q. 23 a. 1 arg. 2)

2 — Alle menschen worden op hun doel gericht door Gods Voorzienigheid, zooals hierboven bewezen werd (XXIIe Kw., Ie en IIe Art.). Welnu, men zegt niet, dat de andere schepselen voorbestemd worden, en moet het dus ook niet zeggen van de menschen.

Praeterea, Angeli sunt capaces beatitudinis, sicut et homines. Sed Angelis non competit praedestinari, ut videtur, cum in eis nunquam fuerit miseria; praedestinatio autem est propositum miserendi, ut dicit Augustinus. Ergo homines non praedestinantur. (Iª q. 23 a. 1 arg. 3)

3 — De engelen kunnen het eeuwig geluk genieten, zooals de menschen. Welnu, de engelen worden niet voorbestemd, wat hieruit blijkt, dat ze nooit ellendig waren: de voorbestemming toch is juist het voornemen om zich over de ellende te erbarmen, zooals Augustinus zegt (in zijn Boek Over de Voorbestemming der Heiligen). Bijgevolg worden de menschen niet voorbestemd.

Praeterea, beneficia hominibus a Deo collata, per spiritum sanctum viris sanctis revelantur, secundum illud apostoli, I Cor. II, nos autem non spiritum huius mundi accepimus, sed spiritum qui ex Deo est, ut sciamus quae a Deo donata sunt nobis. Si ergo homines praedestinarentur a Deo, cum praedestinatio sit Dei beneficium, esset praedestinatis nota sua praedestinatio. Quod patet esse falsum. (Iª q. 23 a. 1 arg. 4)

4 — De weldaden, die God aan de menschen schenkt, worden aan de Heiligen geopenbaard door den H. Geest. We lezen immers bij den Apostel (Ie Corienthiërbrief, 2, 12) : « Wij ontvingen den geest van de wereld niet, maar den geest die uit God is, zoodat we weten wat God ons gegeven heeft. » Welnu, de voorbestemming is een gave, en bijgevolg zouden de voorbestemden hun voorbestemming kennen, wat niet het geval is.

Sed contra est quod dicitur Rom. VIII, quos praedestinavit, hos et vocavit. (Iª q. 23 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter, wat we lezen in den Brief aan de Romeinen (8, 30) : « Die, welke Hij voorbestemde, heeft Hij ook geroepen. »

Respondeo dicendum quod Deo conveniens est homines praedestinare. Omnia enim divinae providentiae subiacent, ut supra ostensum est. Ad providentiam autem pertinet res in finem ordinare, ut dictum est. Finis autem ad quem res creatae ordinantur a Deo, est duplex. Unus, qui excedit proportionem naturae creatae et facultatem, et hic finis est vita aeterna, quae in divina visione consistit, quae est supra naturam cuiuslibet creaturae, ut supra habitum est. Alius autem finis est naturae creatae proportionatus, quem scilicet res creata potest attingere secundum virtutem suae naturae. Ad illud autem ad quod non potest aliquid virtute suae naturae pervenire, oportet quod ab alio transmittatur; sicut sagitta a sagittante mittitur ad signum. Unde, proprie loquendo, rationalis creatura, quae est capax vitae aeternae, perducitur in ipsam quasi a Deo transmissa. Cuius quidem transmissionis ratio in Deo praeexistit; sicut et in eo est ratio ordinis omnium in finem, quam diximus esse providentiam. Ratio autem alicuius fiendi in mente actoris existens, est quaedam praeexistentia rei fiendae in eo. Unde ratio praedictae transmissionis creaturae rationalis in finem vitae aeternae, praedestinatio nominatur, nam destinare est mittere. Et sic patet quod praedestinatio, quantum ad obiecta, est quaedam pars providentiae. (Iª q. 23 a. 1 co.)

De menschen worden door God voorbestemd. Niets immers valt buiten Gods voorzienigheid, zooals we hierboven bewezen hebben (XXIIe Kw., IIe Art.). Welnu, het komt aan de goddelijke voorzienigheid toe, de dingen te richten op hun doel, zooals we vroeger reeds bewezen hebben (XXIIe Kw., Ie Art.). De door God geschapen dingen kunnen echter gericht worden op een dubbel doel : ten eerste, op een doel waartoe in de natuur van een geschapen wezen noch verhouding, noch vermogen bestaat; nl. het eeuwig leven, dat bestaat in de Godsaanschouwing, die zooals we vroeger bewezen hebben (XIIe Kw., IVe Art.) de natuur van welk geschapen wezen ook te boven gaat. Ten tweede, op een doel, waartoe er in de natuur van een geschapen wezen verhouding bestaat, en dat een schepsel door de kracht van zijn natuur kan bereiken. Wanneer echter een wezen een doel wil bereiken, dat boven de kracht van zijn natuur verheven is, dan moet een ander hem er op richten, zooals de pijl door den schutter naar het doel gericht wordt. Daarom is het juister, te zeggen, dat het redelijk schepsel, dat het eeuwig leven kan genieten, er toe gevoerd wordt, als door God er op gericht. Van dit richten van het redelijk schepsel op het eeuwig leven bestaat het plan vooraf bij God, evenals het plan van de richting van alle dingen op hun doel. En daarin bestaat de goddelijke voorzienigheid. Maar wanneer het plan van een uit te voeren werk bestaat in het verstand van hem die het moet uitvoeren, dan is het alsof dit werk zelf in hem vooraf bestond. Daarom noemt men het plan van het richten van het redelijk schepsel op het doel, nl. op het eeuwig leven, de voorbestemming, want iemand tot iets bestemmen is hem er op richten. Zoo is het duidelijk, dat de voorbestemming, naar haar voorwerp, een onderdeel is der voorzienigheid.

Ad primum ergo dicendum quod Damascenus nominat praedeterminationem impositionem necessitatis; sicut est in rebus naturalibus, quae sunt praedeterminatae ad unum. Quod patet ex eo quod subdit, non enim vult malitiam, neque compellit virtutem. Unde praedestinatio non excluditur. (Iª q. 23 a. 1 ad 1)

1 — Damascenus bedoelt door voorbestemming een richting, waardoor iets noodzakelijk wordt, zooals in de natuurdingen gebeurt, die tot één enkele handeling bepaald zijn. Hij voegt immers aan de aangehaalde woorden toe, dat God het kwade niet wilt en evenmin iemand tot het goede dwingt. Dus sluit Hij de voorbestemming niet uit.

Ad secundum dicendum quod creaturae irrationales non sunt capaces illius finis qui facultatem humanae naturae excedit. Unde non proprie dicuntur praedestinari, etsi aliquando abusive praedestinatio nominetur respectu cuiuscumque alterius finis. (Iª q. 23 a. 1 ad 2)

2 — De onredelijke schepselen kunnen een doel niet bereiken, dat boven de kracht ligt der menschelijke natuur. Daarom kan men niet in eigenlijken zin zeggen, dat ze voorbestemd zijn, hoewel men soms abusief van « voorbestemming » spreekt, met betrekking tot welk ander doel ook.

Ad tertium dicendum quod praedestinari convenit Angelis, sicut et hominibus, licet nunquam fuerint miseri. Nam motus non accipit speciem a termino a quo, sed a termino ad quem, nihil enim refert, quantum ad rationem dealbationis, utrum ille qui dealbatur, fuerit niger aut pallidus vel rubeus. Et similiter nihil refert ad rationem praedestinationis, utrum aliquis praedestinetur in vitam aeternam a statu miseriae, vel non. Quamvis dici possit quod omnis collatio boni supra debitum eius cui confertur, ad misericordiam pertineat, ut supra dictum est. (Iª q. 23 a. 1 ad 3)

3 — Hoewel de engelen nooit in ellende verkeerd hebben, worden ze toch voorbestemd, evenals de menschen. Een beweging behoort immers niet tot een bepaalde soort, door haar uitgangspunt, maar wel door haar eindterm. Het begrip wit worden bv. verschilt in het geheel niet, wanneer iets wit wordt van zwart, of van bleek, of van rood. En om dezelfde reden verandert het begrip voorbestemming niet, wanneer hij, die voorbestemd wordt tot het eeuwig leven, ellendig is of niet. Ofschoon men ook kan antwoorden, dat het mededeelen van welk goed ook, grooter dan wat aan iemand verschuldigd is, behoort tot de barmhartigheid, zooals we hierboven gezegd hebben (XXIe Kw., IIIe Art., Antw. op de 2e Bed., en IVe Art.).

Ad quartum dicendum quod, etiam si aliquibus ex speciali privilegio sua praedestinatio reveletur, non tamen convenit ut reveletur omnibus, quia sic illi qui non sunt praedestinati, desperarent; et securitas in praedestinatis negligentiam pareret. (Iª q. 23 a. 1 ad 4)

4 — Hoewel God aan sommigen door een bijzonder voorrecht hun voorbestemming openbaart, toch zou het niet passend zijn. dat ze aan allen bekend gemaakt werd, want dan zouden de nietvoorbestemden wanhopen, en zou de zekerheid de voorbestemden nalatig doen worden.

Articulus 2.
Beantwoordt er in de voorbestemden iets aan de voorbestemming?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod praedestinatio ponat aliquid in praedestinato. Omnis enim actio ex se passionem infert. Si ergo praedestinatio actio est in Deo, oportet quod praedestinatio passio sit in praedestinatis. (Iª q. 23 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat er in de voorbestemden iets beantwoordt aan de voorbestemming. Iedere handeling toch brengt het ondergaan van die handeling mee. Wanneer dus de voorbestemming een handeling is in God, dan is het ondergaan van die handeling in de voorbestemden.

Praeterea, Origenes dicit, super illud Rom. I, qui praedestinatus est etc., praedestinatio est eius qui non est, sed destinatio eius est qui est. Sed Augustinus dicit, in libro de praedestinatione sanctorum, quid est praedestinatio, nisi destinatio alicuius? Ergo praedestinatio non est nisi alicuius existentis. Et ita ponit aliquid in praedestinato. (Iª q. 23 a. 2 arg. 2)

2 — Origines geeft van die woorden uit den Brief dan de Romeinen (1,4) : « Hij die voorbestemd is », enz., de volgende verklaring : « Men kan iemand, die niet is, voorbestemmen, maar men kan alleen iemand, die is, tot iets bestemmen. » En Augustinus zegt in zijn Boek Over de Voorbestemming der Heiligen : « Wat is voorbestemmen anders, dan iemand tot iets bestemmen? » Bijgevolg wordt alleen iemand, die werkelijk bestaat, voorbestemd, en beantwoordt er aan de voorbestemming iets in hem die voorbestemd wordt.

Praeterea, praeparatio est aliquid in praeparato. Sed praedestinatio est praeparatio beneficiorum Dei, ut dicit Augustinus, in libro de Praedest. Sanct. Ergo praedestinatio est aliquid in praedestinatis. (Iª q. 23 a. 2 arg. 3)

3 — De voorbereiding veronderstelt iets in dat wat voorbereid wordt. Welnu, de voorbestemming is de voorbereiding van de weldaden van God, zooals Augustinus zegt in zijn werk Over de Voorbestemming der Heiligen. Dus veronderstelt de voorbestemming iets in hen, die voorbestemd worden.

Praeterea, temporale non ponitur in definitione aeterni. Sed gratia, quae est aliquid temporale, ponitur in definitione praedestinationis, nam praedestinatio dicitur esse praeparatio gratiae in praesenti, et gloriae in futuro. Ergo praedestinatio non est aliquid aeternum. Et ita oportet quod non sit in Deo, sed in praedestinatis, nam quidquid est in Deo, est aeternum. (Iª q. 23 a. 2 arg. 4)

4 — In de bepaling van het eeuwige komt de tijd niet voor. Welnu, de genade, die iets tijdelijks is, komt voor in de bepaling van de voorbestemming; de voorbestemming toch is de voorbereiding van de genade in den tijd, en van de glorie in de eeuwigheid. Dus is de voorbestemmng niet iets eeuwigs, en is ze ook niet in God, maar in de voorbestemden, want alles wat in God is, is eeuwig.

Sed contra est quod Augustinus dicit, quod praedestinatio est praescientia beneficiorum Dei. Sed praescientia non est in praescitis, sed in praesciente. Ergo nec praedestinatio est in praedestinatis, sed in praedestinante. (Iª q. 23 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt (t. a. pl.), dat de voorbestemming de voorkennis is van Gods weldaden. Welnu, de voorkennis veronderstelt niets in hen, die vooraf gekend zijn, maar alleen in hem, die iets vooraf kent. Bijgevolg veronderstelt ook de voorbestemming niets in hen, die voorbestemd worden, maar alleen in hem die ze voorbestemt.

Respondeo dicendum quod praedestinatio non est aliquid in praedestinatis, sed in praedestinante tantum. Dictum est enim quod praedestinatio est quaedam pars providentiae providentia autem non est in rebus provisis; sed est quaedam ratio in intellectu provisoris, ut supra dictum est. Sed executio providentiae, quae gubernatio dicitur, passive quidem est in gubernatis; active autem est in gubernante. Unde manifestum est quod praedestinatio est quaedam ratio ordinis aliquorum in salutem aeternam, in mente divina existens. Executio autem huius ordinis est passive quidem in praedestinatis; active autem est in Deo. Est autem executio praedestinationis vocatio et magnificatio, secundum illud apostoli, ad Rom. VIII, quos praedestinavit, hos et vocavit; et quos vocavit, hos et magnificavit. (Iª q. 23 a. 2 co.)

Aan de voorbestemming beantwoodt alleen iets in hem die voorbestemt, en niet in hen die voorbestemd worden. We hebben immers hierboven reeds gezegd, dat de voorbestemming een onderdeel der voorzienigheid is. Welnu, de voorzienigheid is niet in de dingen, die er onder vallen, maar ze is een plan in het verstand van hem, die voorzienig is, zooals we vroeger bewezen hebben (XXIIe Kw., 1e Art.). Het uitvoeren van de voorzienigheid, of het bestuur, is passief in het bestuurde, actief in hem die bestuurt. Dus is de voorbestemming het plan van de bestemming van sommigen tot het eeuwig leven, in Gods verstand ontworpen. De uitvoering van dit plan is passief in de voorbestemden, actief in God, en bestaat in de roeping en de verheerlijking, volgens het woord van den Apostel : « Diegenen die hij voorbestemde, riep Hij, en diegenen die Hij riep, heeft Hij verheerlijkt ». (Brief aan de Romeinen, 8, 30).

Ad primum ergo dicendum quod actiones in exteriorem materiam transeuntes, inferunt ex se passionem, ut calefactio et secatio, non autem actiones in agente manentes, ut sunt intelligere et velle, ut supra dictum est. Et talis actio est praedestinatio. Unde praedestinatio non ponit aliquid in praedestinato. Sed executio eius, quae transit in exteriores res, ponit in eis aliquem effectum. (Iª q. 23 a. 2 ad 1)

1 — Werkingen die overgaan op een uiterlijke stof, zooals verwarmen en snijden, brengen uiteraard het ondergaan van die handelingen mee. Dit is echter niet het geval met de handelingen, die in het handelend wezen opgesloten blijven, zooals kennen en willen, gelijk we vroeger bewezen hebben (XIVe Kw., IIe Art.; XVIIIe Kw., IIIe Art., Antw. 1e Bed.) Welnu zulk een handeling is de voorbestemming, en daarom is zij zelf niet in het voorbestemde, maar heeft alleen haar verwezenlijking, die overgankelijk is, een gevolg in het voorbestemde.

Ad secundum dicendum quod destinatio aliquando sumitur pro reali missione alicuius ad aliquem terminum, et sic destinatio non est nisi eius quod est. Alio modo sumitur destinatio pro missione quam aliquis mente concipit, secundum quod dicimur destinare, quod mente firmiter proponimus, et hoc secundo modo dicitur II Machab. cap. VI, Eleazarus destinavit non admittere illicita propter vitae amorem. Et sic destinatio potest esse eius quod non est. Tamen praedestinatio, ratione antecessionis quam importat, potest esse eius quod non est, qualitercumque destinatio sumatur. (Iª q. 23 a. 2 ad 2)

2 — Door bestemming verstaat men soms het werkelijk sturen van iemand naar een of andere plaats, en dan wordt alleen hij tot iets bestemd, die werkelijk bestaat. Men kan ook door bestemming een zending verstaan, die men in den geest aan iemand oplegt. We zeggen immers, dat we iemand tot iets bestemmen, wanneer wij ons voornemen, het te doen. En in dien zin lezen we in het IIe Boek der Machabeën (6, 20), dat Eleazarus zichzelf er toe bestemd had, om uit liefde voor het leven, niet te doen wat verboden was. Zóó opgevat, kan de bestemming slaan op iets wat niet bestaat. Maar hoe men ook het woord bestemming verstaat, zeker is het, dat de voorbestemming kan slaan op iets wat niet bestaat, omdat ze nl. een voorrang insluit.

Ad tertium dicendum quod duplex est praeparatio. Quaedam patientis, ut patiatur, et haec praeparatio est in praeparato. Quaedam alia est agentis, ut agat, et haec est in agente. Et talis praeparatio est praedestinatio; prout aliquod agens per intellectum dicitur se praeparare ad agendum, inquantum praeconcipit rationem operis fiendi. Et sic Deus ab aeterno praeparavit praedestinando, concipiens rationem ordinis aliquorum in salutem. (Iª q. 23 a. 2 ad 3)

3 — Er is een dubbele voorbereiding : ten eerste, die van het wezen dat een handeling moet ondergaan, en die is in het voorbereide; ten tweede, die van het wezen dat moet handelen, en die is in hem die handelt. En die tweede voorbereiding is in hem, de voorbestemd wordt, in zoover een verstand zich op de handeling voorbereidt, door een plan te vormen van het uit te voeren werk. En op die manier heeft God zich van alle eeuwen af door zijn voorbestemming voorbereid, wanneer Hij het plan vormde om sommigen tie brengen tot het eeuwig heil.

Ad quartum dicendum quod gratia non ponitur in definitione praedestinationis, quasi aliquid existens de essentia eius, sed inquantum praedestinatio importat respectum ad gratiam, ut causae ad effectum, et actus ad obiectum. Unde non sequitur quod praedestinatio sit aliquid temporale. (Iª q. 23 a. 2 ad 4)

4 — De genade wordt niet opgenomen in de bepaling van de voorbestemming, als zou ze tot het wezen er van behooren, maar omdat de voorbestemming zich tot de genade verhoudt als de oorzaak tot haar uitwerksel of als een handeling tot haar objekt. Daarom is de voorbestemming niet iets tijdelijks.

Articulus 3.
Worden sommigen door God verworpen?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Deus nullum hominem reprobet. Nullus enim reprobat quem diligit. Sed Deus omnem hominem diligit, secundum illud Sap. XI, diligis omnia quae sunt, et nihil odisti eorum quae fecisti. Ergo Deus nullum hominem reprobat. (Iª q. 23 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat God niemand verwerpt. Niemand toch verdoemt iemand dien hij bemint. Welnu, zooals we lezen in het Boek der Wijsheid (11, 25), bemint God alle menschen, en haat Hij niets van al wat Hij gemaakt heeft. Hij verwerpt dus niemand.

Praeterea, si Deus aliquem hominem reprobat, oportet quod sic se habeat reprobatio ad reprobatos, sicut praedestinatio ad praedestinatos. Sed praedestinatio est causa salutis praedestinatorum. Ergo reprobatio erit causa perditionis reproborum. Hoc autem est falsum, dicitur enim Osee XIII, perditio tua, Israel, ex te est; tantummodo ex me auxilium tuum. Non ergo Deus aliquem reprobat. (Iª q. 23 a. 3 arg. 2)

2 — Indien God iemand verwerpt, dan moet de verwerping zich tot de verworpenen verhouden, zooals de voorbestemming zich verhoudt tot de voorbestemden. Welnu, de voorbestemming is de oorzaak van het geluk der voorbestemden. Bijgevolg moet de verwerping de oorzaak zijn van het ongeluk der verworpenen. Dit is echter onaannemelijk, want de profeet Oseas zegt (13, 9) : « Uw eigen schuld is het, Israël, indien ge verloren gaat, want ik heb u geholpen ».

Praeterea, nulli debet imputari quod vitare non potest. Sed si Deus aliquem reprobat, non potest vitare quin ipse pereat, dicitur enim Eccle. VII, considera opera Dei, quod nemo possit corrigere quem ipse despexerit. Ergo non esset hominibus imputandum quod pereunt. Hoc autem est falsum. Non ergo Deus aliquem reprobat. (Iª q. 23 a. 3 arg. 3)

3 — Niemand moet verantwoordelijk gesteld worden voor iets wat hij niet kan vermijden. Welnu, indien God iemand verwerpt, dan kan die mensch zijn eigen ondergang niet vermijden. We lezen immers in het Boek Ecclesiasles (7, 14) : « Beschouw Gods werk, waardoor iemand, die door God verlaten wordt, niet tot inkeer komen kan. » De menschen zouden er dus niet verantwoordelijk voor zijn, wanneer ze verloren gaan. Maar dit is onaannemelijk, en bijgevolg verwerpt God niemand.

Sed contra est quod dicitur Malach. I, Iacob dilexi, Esau autem odio habui. (Iª q. 23 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter wat we lezen bij Malachias (1,2-3) : « Jacob beminde Ik, Esau echter haatte Ik. »

Respondeo dicendum quod Deus aliquos reprobat. Dictum enim est supra quod praedestinatio est pars providentiae. Ad providentiam autem pertinet permittere aliquem defectum in rebus quae providentiae subduntur, ut supra dictum est. Unde, cum per divinam providentiam homines in vitam aeternam ordinentur, pertinet etiam ad divinam providentiam, ut permittat aliquos ab isto fine deficere. Et hoc dicitur reprobare. Sic igitur, sicut praedestinatio est pars providentiae respectu eorum qui divinitus ordinantur in aeternam salutem; ita reprobatio est pars providentiae respectu illorum qui ab hoc fine decidunt. Unde reprobatio non nominat praescientiam tantum, sed aliquid addit secundum rationem, sicut et providentia, ut supra dictum est. Sicut enim praedestinatio includit voluntatem conferendi gratiam et gloriam, ita reprobatio includit voluntatem permittendi aliquem cadere in culpam, et inferendi damnationis poenam pro culpa. (Iª q. 23 a. 3 co.)

God verwerpt sommige menschen. Hierboven zeiden we immers (Ie Art.) dat de voorbestemming een onderdeel is van de voorzienigheid, en ook (XXIIe Kw., IIe Art.), dat het tot de voorzienigheid behoort, een of ander gebrek toe te laten in de dingen, waarover ze zich uitstrekt. Aangezien de menschen door Gods voorzienigheid voorbestemd zijn tot de eeuwige zaligheid, komt het aan Zijn voorzienigheid toe, toe te laten, dat sommigen afwijken van dat doel. En daarin bestaat de verwerping. Zooals de voor bestemming een onderdeel van de voorzienigheid is, en betrekking heeft op diegenen, die tot het eeuwig geluk zijn voorbestemd, zoo ook is de verwerping een onderdeel van de voorzienigheid, en heeft ze betrekking op diegenen, die afwijken van dat doel. Daarom bestaat de verwerping niet alleen in de voorkennis, maar voegt zij er iets aan toe, zooals ook de voorzienigheid. (Zie XXIIe Kw., 1e Art.). De voorbestemming sluit den wil in, om genade en glorie te schenken; de verwerping, om toe te laten, dat iemand in zonde valt, en om de zonde te straffen.

Ad primum ergo dicendum quod Deus omnes homines diligit, et etiam omnes creaturas, inquantum omnibus vult aliquod bonum, non tamen quodcumque bonum vult omnibus. Inquantum igitur quibusdam non vult hoc bonum quod est vita aeterna, dicitur eos habere odio, vel reprobare. (Iª q. 23 a. 3 ad 1)

1 — God bemint alle menschen, en zelfs alle schepselen, daar Hij voor allen een of ander goed wil. Toch wil Hij voor allen niet alle goed, en omdat Hij voor sommigen het goed van het eeuwig leven niet wil, daarom zegt men, dat Hij ze haat of verwerpt.

Ad secundum dicendum quod aliter se habet reprobatio in causando, quam praedestinatio. Nam praedestinatio est causa et eius quod expectatur in futura vita a praedestinatis, scilicet gloriae; et eius quod percipitur in praesenti, scilicet gratiae. Reprobatio vero non est causa eius quod est in praesenti, scilicet culpae; sed est causa derelictionis a Deo. Est tamen causa eius quod redditur in futuro, scilicet poenae aeternae. Sed culpa provenit ex libero arbitrio eius qui reprobatur et a gratia deseritur. Et secundum hoc verificatur dictum prophetae, scilicet, perditio tua, Israel, ex te. (Iª q. 23 a. 3 ad 2)

2 — De verwerping en de voorbestemming staan niet op gelijke lijn, wat hun oorzakelijkheid betreft. De voorbestemming immers is de oorzaak, én van wat de voorbestemden verwachten in het toekomstig leven, nl. de glorie, én van wat ze reeds nu ontvangen, nl. de genade. De verwerping daarentegen is de oorzaak niet van wat nu gebeurt, nl. de zondeschuld, maar ze is er wel de oorzaak van, dat iemand door God verlaten wordt. Ook is ze de oorzaak van wat later gebeurt, nl. de eeuwige straf. De zondeschuld moet men echter wijten aan de vrijheid van hem die zondigt, en door de genade verlaten wordt. En in dien zin is het woord van den profeet waar : « Uw eigen schuld is het, Israël, indien ge verloren gaat. »

Ad tertium dicendum quod reprobatio Dei non subtrahit aliquid de potentia reprobati. Unde, cum dicitur quod reprobatus non potest gratiam adipisci, non est hoc intelligendum secundum impossibilitatem absolutam, sed secundum impossibilitatem conditionatam, sicut supra dictum est quod praedestinatum necesse est salvari, necessitate conditionata, quae non tollit libertatem arbitrii. Unde, licet aliquis non possit gratiam adipisci qui reprobatur a Deo, tamen quod in hoc peccatum vel illud labatur, ex eius libero arbitrio contingit. Unde et merito sibi imputatur in culpam. (Iª q. 23 a. 3 ad 3)

3 — Gods verwerping vermindert de kracht van de verworpenen niet. Wanneer wij dus zeggen, dat een verworpene geen genade kan verkrijgen, dan wordt daar geen volstrekte onmogelijkheid mee bedoeld, maar een voorwaardelijke. In denzelfden zin zeiden we hierboven (XIXe Kw., VIIIe Art., Antw. op de Ie Bed.), dat de voorbestemden noodzakelijk zalig worden, nl. met voorwaardelijke noodzakelijkheid, die de vrijheid niet wegneemt. Hoewel dus iemand, die door God verworpen is, geen genade kan verkrijgen, toch is het uit vrijen wil, dat hij in die of die zonde valt, en die zonde wordt hem dan ook met recht aangerekend als een schuld.

Articulus 4.
Worden de voorbestemden door God uit­ verkoren?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod praedestinati non eligantur a Deo. Dicit enim Dionysius, IV cap. de Div. Nom., quod, sicut sol corporeus non eligendo omnibus corporibus lumen immittit, ita et Deus suam bonitatem. Sed bonitas divina communicatur praecipue aliquibus secundum participationem gratiae et gloriae. Ergo Deus absque electione gratiam et gloriam communicat. Quod ad praedestinationem pertinet. (Iª q. 23 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de voorbestemden door God niet uitverkoren worden. Dionysius zegt immers in zijn Boek Over de Goddelijke Namen (IVe H.) : « Evenals de zon, zonder een keus te doen, alle lichamen verlicht, zoo ook deelt God aan allen zijn goed-zijn mee ». Maar de grootste mededeeling van Gods goed-zijn is de genade en de glorie. Dus schenkt God zonder keus genade en glorie. Welnu, dit. behoort tot de voorbestemming.

Praeterea, electio est eorum quae sunt. Sed praedestinatio ab aeterno est etiam eorum quae non sunt. Ergo praedestinantur aliqui absque electione. (Iª q. 23 a. 4 arg. 2)

2 — Een keus veronderstelt een bestaand wezen. Maar de voorbestemming gebeurt van alle eeuwigheid af, en ook niet-bestaande wezens vallen er onder. Dus worden er sommigen voorbestemd zónder keus.

Praeterea, electio quandam discretionem importat. Sed Deus vult omnes homines salvos fieri, ut dicitur I Tim. II. Ergo praedestinatio, quae praeordinat homines in salutem, est absque electione. (Iª q. 23 a. 4 arg. 3)

3 — Kiezen is onderscheid maken. Maar « God wil, dat allen zalig worden », lezen we in den Ien Brief aan Timotheus, (2, 4). Dus is er geen keus in de voorbestemming, die de menschen voorbestemt tot de zaligheid.

Sed contra est quod dicitur Ephes. I, elegit nos in ipso ante mundi constitutionem. (Iª q. 23 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter wat we lezen in den Brief aan de Ephesiërs (1,4): « In Hem (d. i. in Christus) heeft Hij (God) ons uitverkoren, vóór de wereld bestond ».

Respondeo dicendum quod praedestinatio, secundum rationem, praesupponit electionem; et electio dilectionem. Cuius ratio est, quia praedestinatio, ut dictum est, est pars providentiae. Providentia autem, sicut et prudentia, est ratio in intellectu existens, praeceptiva ordinationis aliquorum in finem, ut supra dictum est. Non autem praecipitur aliquid ordinandum in finem, nisi praeexistente voluntate finis. Unde praedestinatio aliquorum in salutem aeternam, praesupponit, secundum rationem, quod Deus illorum velit salutem. Ad quod pertinet electio et dilectio. Dilectio quidem, inquantum vult eis hoc bonum salutis aeternae, nam diligere est velle alicui bonum, ut supra dictum est. Electio autem, inquantum hoc bonum aliquibus prae aliis vult, cum quosdam reprobet, ut supra dictum est. Electio tamen et dilectio aliter ordinantur in nobis et in Deo, eo quod in nobis voluntas diligendo non causat bonum; sed ex bono praeexistente incitamur ad diligendum. Et ideo eligimus aliquem, quem diligamus, et sic electio dilectionem praecedit in nobis. In Deo autem est e converso. Nam voluntas eius, qua vult bonum alicui diligendo, est causa quod illud bonum ab eo prae aliis habeatur. Et sic patet quod dilectio praesupponitur electioni, secundum rationem; et electio praedestinationi. Unde omnes praedestinati sunt electi et dilecti. (Iª q. 23 a. 4 co.)

De voorbestemming brengt door haar begrip zelf een keus mee, en een keus veronderstelt liefde. Zooals we immers hierboven zeiden (1e Art.), is de voorbestemming een onderdeel van de voorzienigheid. Welnu de voorzienigheid is, zooals de beradenheid, het in den geest bestaande plan, waardoor sommige wezens op hun doel gericht worden, zooals we vroeger bewezen hebben (XXIIe Kw., 1e Art.). Maar niets kan op een doel gericht worden, indien men het doel zelf niet wil. Indien bijgevolg sommigen tot het eeuwig heil voorbestemd zijn, dan wordt er verondersteld, dat het willen van hun zaligheid door God naar het begrip voorafgaat. Maar die wil sluit keus en liefde in: liefde, want Hij wil hun het eeuwig leven schenken, en iemand liefhebben is niets anders dan iemands goed willen, zooals we hierboven gezegd hebben (XXe Kw., IIe en IIIe Art.) ; keus, daar Hij dit goed slechts voor sommigen wil, want we bewezen vroeger (voorg. Art.), dat God sommigen verwerpt. Liefde en keus staan echter niet in dezelfde verhouding bij ons en bij God. Door te beminnen alleen kan onze wil het goede niet veroorzaken, maar een bestaand goed moet onze liefde opwekken. Daarom kiezen wij iemand uit, om hem te beminnen, zoodat in ons de keus de liefde voorafgaat. In God echter is de verhouding andersom, want zijn wil, waardoor Hij voor iemand, dien Hij bemint, een of ander goed wil, is er de oorzaak van, dat hij, en niet een ander, dit goed bezit. Naar het begrip gaat bijgevolg zijn liefde de keus vooraf, en de keus de voorbestemming. En daarom worden al de voorbestemden uitverkoren en bemind.

Ad primum ergo dicendum quod, si consideretur communicatio bonitatis divinae in communi, absque electione bonitatem suam communicat; inquantum scilicet nihil est, quod non participet aliquid de bonitate eius, ut supra dictum est. Sed si consideretur communicatio istius vel illius boni, non absque electione tribuit, quia quaedam bona dat aliquibus, quae non dat aliis. Et sic in collatione gratiae et gloriae attenditur electio. (Iª q. 23 a. 4 ad 1)

1 — Beschouwt men de mededeeling van Gods goed-zijn in het algemeen, dan moet men zeggen, dat Hij zijn goed-zijn mededeelt zonder keus, want er is niets, dat in het geheel geen deel heeft aan zijn goed-zijn, zooals we hierboven gezegd hebben (VIe Kw., IVe Art.). Beschouwt men echter het mededeelen van een of ander bizonder goed, dan heeft er een keus plaats, want God schenkt een bepaald goed aan sommigen, en niet aan anderen. En op die manier doet God een keus, wanneer Hij de genade en de glorie schenkt.

Ad secundum dicendum quod, quando voluntas eligentis provocatur ad eligendum a bono in re praeexistente, tunc oportet quod electio sit eorum quae sunt; sicut accidit in electione nostra. Sed in Deo est aliter, ut dictum est. Et ideo, sicut dicit Augustinus, eliguntur a Deo qui non sunt, neque tamen errat qui eligit. (Iª q. 23 a. 4 ad 2)

2 — Wanneer de wil van hem, die een keus doet, tot den keus gedreven wordt door het goede dat in het wezen vooraf bestaat, dan valt de keus noodzakelijk op bestaande wezens, zooals het bij ons gebeurt. Bij God echter is het andersom, zooals we (in de Leerstelling) reeds zeiden. Augustinus zegt dan ook : « Zij, die nog niet zijn, worden uitverkoren door God, en toch faalt Hij niet in zijn keus ». (XXVIe Volkspreek, IVe H.).

Ad tertium dicendum quod, sicut supra dictum est, Deus vult omnes homines salvos fieri antecedenter, quod non est simpliciter velle, sed secundum quid, non autem consequenter, quod est simpliciter velle. (Iª q. 23 a. 4 ad 3)

3 — Zooals we hierboven gezegd hebben (XIXe Kw., VIe Art.) wil God door zijn voorafgaanden wil, dat alle menschen zalig worden. Door dien wil, wil men echter niet volstrekt, maar alleen in een bizonder opzicht. Maar door zijn nakomenden wil, waardoor iets volstrekt gewild wordt, wil God de zaligheid niet van alle menschen.

Articulus 5.
Is de voorkennis der verdiensten de oorzaak van de voorbestemming?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod praescientia meritorum sit causa praedestinationis. Dicit enim apostolus, Rom. VIII, quos praescivit, hos et praedestinavit. Et Glossa Ambrosii, super illud Rom. IX, miserebor cui miserebor etc., dicit, misericordiam illi dabo, quem praescio toto corde reversurum ad me. Ergo videtur quod praescientia meritorum sit causa praedestinationis. (Iª q. 23 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de voorkennis der verdiensten de oorzaak van de voorbestemming is. De Apostel zegt immers in zijn Brief aan de Romeinen (8, 29) : « Zij, die Hij vooraf kende, heeft Hij ook voorbestemd ». En bij die andere woorden uit den Brief aan de Romeinen (9, 15) : Ik zal barmhartig zijn voor hen voor wie ik barmhartig wil zijn; teekent de Glossa van Ambrosius aan : « Ik zal barmhartig zijn voor hem. van wien ik vooraf weet, dat hij uit heel zijn hart tot mij zal terugkeeren. » Bijgevolg schijnt de voorkennis van de verdiensten de oorzaak van de voorbestemming te zijn.

Praeterea, praedestinatio divina includit divinam voluntatem, quae irrationabilis esse non potest, cum praedestinatio sit propositum miserendi, ut Augustinus dicit. Sed nulla alia ratio potest esse praedestinationis nisi praescientia meritorum. Ergo praescientia meritorum est causa vel ratio praedestinationis. (Iª q. 23 a. 5 arg. 2)

2 — De goddelijke voorbestemming sluit den goddelijken wil in, want de voorbestemming is volgens Augustinus het voornemen om medelijden te hebben. Welnu, van den eenen kant kan Gods wil niet onredelijk zijn, en van den anderen kant kan de reden der voorbestemming alleen de voorkennis van de verdiensten zijn. Dus is de voorkennis van de verdiensten de oorzaak van de voorbestemming.

Praeterea, non est iniquitas apud Deum, ut dicitur Rom. IX. Iniquum autem esse videtur, ut aequalibus inaequalia dentur. Omnes autem homines sunt aequales et secundum naturam, et secundum peccatum originale, attenditur autem in eis inaequalitas secundum merita vel demerita propriorum actuum. Non igitur inaequalia praeparat Deus hominibus, praedestinando et reprobando, nisi propter differentium meritorum praescientiam. (Iª q. 23 a. 5 arg. 3)

3 — « God is niet onrechtvaardig », lezen we in den Brief aan de Romeinen (9, 14). Welnu, het schijnt onrechtvaardig te zijn, ongelijke gaven te schenken aan hen, die gelijke rechten bezitten. Maar alle menschen zijn gelijk naar de natuur en de erfzonde, en ongelijk naar de verdienste en de strafwaardigheid van hun handeligen. God kan dus geen ongelijke gaven voorbereiden voor de menschen, en de eenen voorbestemmen, de anderen verwerpen, tenzij om het door Hem vooruit gekende verschil in verdienste.

Sed contra est quod dicit apostolus, ad Tit. III, non ex operibus iustitiae, quae fecimus nos, sed secundum suam misericordiam salvos nos fecit. Sicut autem salvos nos fecit, ita et praedestinavit nos salvos fieri. Non ergo praescientia meritorum est causa vel ratio praedestinationis. (Iª q. 23 a. 5 s. c.)

Dit is echter in strijd met wat de Apostel zegt in zijn Brief aan Titus (3, 5) : « God heeft ons niet verlost om de werken van gerechtigheid die we gedaan hebben, maar door zijn barmhartigheid. » Maar zooals Hij ons verlost heeft, zoo heeft Hij er ons ook toe voorbestemd om verlost te worden. Dus is de voorkennis van onze verdiensten noch de oorzaak, noch de reden van onze voorbestemming.

Respondeo dicendum quod, cum praedestinatio includat voluntatem, ut supra dictum est, sic inquirenda est ratio praedestinationis, sicut inquiritur ratio divinae voluntatis. Dictum est autem supra quod non est assignare causam divinae voluntatis ex parte actus volendi; sed potest assignari ratio ex parte volitorum, inquantum scilicet Deus vult esse aliquid propter aliud. Nullus ergo fuit ita insanae mentis, qui diceret merita esse causam divinae praedestinationis, ex parte actus praedestinantis. Sed hoc sub quaestione vertitur, utrum ex parte effectus, praedestinatio habeat aliquam causam. Et hoc est quaerere, utrum Deus praeordinaverit se daturum effectum praedestinationis alicui, propter merita aliqua. Fuerunt igitur quidam, qui dixerunt quod effectus praedestinationis praeordinatur alicui propter merita praeexistentia in alia vita. Et haec fuit positio Origenis, qui posuit animas humanas ab initio creatas, et secundum diversitatem suorum operum, diversos status eas sortiri in hoc mundo corporibus unitas. Sed hanc opinionem excludit apostolus, Rom. IX, dicens, cum nondum nati fuissent, aut aliquid egissent boni vel mali, non ex operibus, sed ex vocante dictum est, quia maior serviet minori. Fuerunt ergo alii, qui dixerunt quod merita praeexistentia in hac vita sunt ratio et causa effectus praedestinationis. Posuerunt enim Pelagiani quod initium benefaciendi sit ex nobis, consummatio autem a Deo. Et sic, ex hoc contingit quod alicui datur praedestinationis effectus, et non alteri, quia unus initium dedit se praeparando, et non alius. Sed contra hoc est quod dicit apostolus, II Cor. III, quod non sumus sufficientes cogitare aliquid a nobis, quasi ex nobis. Nullum autem anterius principium inveniri potest quam cogitatio. Unde non potest dici quod aliquod in nobis initium existat, quod sit ratio effectus praedestinationis. Unde fuerunt alii, qui dixerunt quod merita sequentia praedestinationis effectum, sunt ratio praedestinationis, ut intelligatur quod ideo Deus dat gratiam alicui, et praeordinavit se ei daturum, quia praescivit eum bene usurum gratia; sicut si rex det alicui militi equum, quem scit eo bene usurum. Sed isti videntur distinxisse inter id quod est ex gratia, et id quod est ex libero arbitrio, quasi non possit esse idem ex utroque. Manifestum est autem quod id quod est gratiae, est praedestinationis effectus, et hoc non potest poni ut ratio praedestinationis, cum hoc sub praedestinatione concludatur. Si igitur aliquid aliud ex parte nostra sit ratio praedestinationis, hoc erit praeter effectum praedestinationis. Non est autem distinctum quod est ex libero arbitrio, et ex praedestinatione; sicut nec est distinctum quod est ex causa secunda, et causa prima, divina enim providentia producit effectus per operationes causarum secundarum, ut supra dictum est. Unde et id quod est per liberum arbitrium, est ex praedestinatione. Dicendum est ergo quod effectum praedestinationis considerare possumus dupliciter. Uno modo, in particulari. Et sic nihil prohibet aliquem effectum praedestinationis esse causam et rationem alterius, posteriorem quidem prioris, secundum rationem causae finalis; priorem vero posterioris, secundum rationem causae meritoriae, quae reducitur ad dispositionem materiae. Sicut si dicamus quod Deus praeordinavit se daturum alicui gloriam ex meritis; et quod praeordinavit se daturum alicui gratiam, ut mereretur gloriam. Alio modo potest considerari praedestinationis effectus in communi. Et sic impossibile est quod totus praedestinationis effectus in communi habeat aliquam causam ex parte nostra. Quia quidquid est in homine ordinans ipsum in salutem, comprehenditur totum sub effectu praedestinationis, etiam ipsa praeparatio ad gratiam, neque enim hoc fit nisi per auxilium divinum, secundum illud Thren. ultimi, converte nos, domine, ad te, et convertemur. Habet tamen hoc modo praedestinatio, ex parte effectus, pro ratione divinam bonitatem; ad quam totus effectus praedestinationis ordinatur ut in finem, et ex qua procedit sicut ex principio primo movente. (Iª q. 23 a. 5 co.)

De voorbestemming sluit den wil in; dit hebben we hierboven bewezen (IIIe en IVe Art.). De reden van de voorbestemming moet men dus zoeken op dezelfde wijze als die van Gods willen. Welnu, Gods wilsakt wordt als zoodanig niet veroorzaakt, zooals we hierboven bewezen hebben (XIXe Kw., Ve Art.). Men kan van een oorzaak van Gods wilsakt alleen spreken met betrekking tot datgene wat God wil, in zoover God nl. wil, dat iets zou zijn om iets anders. Niemand was zóó dwaas, dat hij zou gezegd hebben, dat de voorkennis van de verdiensten de oorzaak is van Gods voorbestemmenden wilsakt als zoodanig, maar de meeningen loopen uiteen, met betrekking tot de kwestie, of er iets de oorzaak is van de voorbestemming, met het oog op haar uitwerksel, of m. a. w. met betrekking tot de kwestie, of God vooraf bepaald heeft, dat Hij aan iemand het uitwerksel der voorbestemming zou schenken om zijn verdiensten. Sommigen hebben beweerd, dat het uitwerksel der voorbestemming vooraf voor iemand bestemd wordt, om in een vroeger leven verworven verdiensten. Zoo leert Origenes in zijn Boek Over de Beginselen (IIe B., IXe H.) , dat de zielen van het begin af geschapen zijn, maar later met een of ander lichaam vereenigd worden en een verschillend lot ondergaan volgens de verscheidenheid hunner werken. — Die meening is echter strijdig met de leer van den Apostel, die in zijn Brief aan de Romeinen (9, 1 1-13) schrijft : « Vóór ze goed of kwaad gedaan hadden, was het beslist, — niet om hun werken, maar door Hem die hen riep, — dat de oudste den jongste zou dienen. » Volgens anderen zouden in dit leven vooraf bestaande verdiensten de oorzaak en de reden zijn van de uitwerkselen der voorbestemming. De Pelagianen toch meenden, dat het eerste begin van de verdienstelijke werken van ons komt, maar het voltrekken van God afhangt. Wanneer het uitwerksel der voorbestemming aan den eenen wordt geschonken, en aan den anderen niet, dan is het omdat de eene er een begin van bewerkte, door zich er op voor te bereiden, en de andere niet. — Die leer strookt echter niet met het woord van den Apostel in den IIe Corinthiërbrief (3, 5) : « We zijn onbekwaam om uit ons zelf, door eigen kracht, iets te begrijpen. » Maar de begrippen zijn het eerste begin wat men kan vinden. Bijgevolg is er in ons geen begin, dat de reden zou zijn van het uitwerksel der voorbestemming. Nog anderen meenden, dat de verdiensten die op het uitwerksel der voorbestemming volgen, de oorzaak van de voorbestemming zijn. God zou aan iemand genade schenken, en zou er vooraf toe besloten hebben, ze hem te schenken, omdat Hij voorzag, dat hij ze goed zou gebruiken, zooals een koning een paard geeft aan den krijgsman, van wien hij weet, dat hij het goed zal berijden. — Volgens die meening schijnt men een onderscheid te maken tusschen hetgeen de genade veroorzaakt, en wat de vrije wil veroorzaakt, alsof beide niet hetzelfde uitwerksel konden veroorzaken. Wat de genade veroorzaakt, is klaarblijkelijk het uitwerksel van de voorbestemming; het is dus de reden van de voorbestemming niet, want het valt er zelf onder. Wanneer iets anders in ons de reden van de voorbestemming is, dan moet het iets zijn, dat buiten de uitwerkselen van de voorbestemming ligt. Maar wat onze vrije wil veroorzaakt, is hetzelfde als wat de voorbestemming veroorzaakt, evenals het uitwerksel van de ondergeschikte oorzaak hetzelfde is als dat van de eerste oorzaak; de Goddelijke voorzienigheid toch oefent haar oorzakelijkheid uit door bemiddeling van de handelingen der ondergeschikte oorzaken, zooals we hierboven bewezen hebben (XXIIe Kw., IIIe Art.) Wat het gevolg is van den vrijen wil, is dus tevens het gevolg van de voorbestemming. Laten we dus besluiten : het uitwerksel van de voorbestemming kan op twee manieren beschouwd worden : ten eerste kunnen we een of ander uitwerksel in het bizonder beschouwen, en zoo kan het eene uitwerksel de reden of de oorzaak zijn van het andere; het laatste is de oorzaak van het eerste, als het doel er van; het eerste is de oorzaak van het laatste, in zoover het een het ander verdient, en die oorzakelijkheid wordt herleid tot het voorbereiden van de materie. Zoo zouden we kunnen zeggen, dat God vooraf bepaalt, dat Hij aan iemand de glorie zal schenken om zijn verdiensten, en dat Hij hem de genade zal verleenen, om de glorie te verdienen. Ten tweede kunnen we het uitwerksel van de voorbestemming in zijn geheel beschouwen, en dan is het onmogelijk, dat al de gevolgen van de voorbestemming hun oorzaak zouden hebben in ons. Alles toch wat den mensch op de eeuwige zaligheid richt, is in het uitwerksel der voorbestemming begrepen, zelf de voorbereiding tot de genade, want zelf die voorbereiding gebeurt alleen door de hulp van God, volgens het woord van Jeremias (5, 21) : « Keer ons tot U, Heer, en wij zullen ons tot U keeren. » Maar zóó beschouwd, is er iets de reden van de voorbestemming, nl. Gods goed-zijn, het doel van al de gevolgen van de voorbestemming, en het eerste beginsel waaruit ze voortspruit.

Ad primum ergo dicendum quod usus gratiae praescitus, non est ratio collationis gratiae, nisi secundum rationem causae finalis, ut dictum est. (Iª q. 23 a. 5 ad 1)

1 — De voorkennis van het gebruik der genade is de oorzaak niet waarom de genade aan iemand wordt geschonken, ofschoon men kan zeggen, dat zij er het doel van is, zooals we hierboven gezegd hebben (in de Leerstelling) .

Ad secundum dicendum quod praedestinatio habet rationem ex parte effectus, in communi, ipsam divinam bonitatem. In particulari autem, unus effectus est ratio alterius, ut dictum est. (Iª q. 23 a. 5 ad 2)

2 — Zooals we hierboven (in de Leerstelling) zeiden, hebben de uitwerkselen van de voorbestemming, in hun geheel genomen, een reden, nl. Gods goed-zijn. Maar wanneer men de uitwerkselen afzonderlijk beschouwt, dan kan een uitwerksel de oorzaak zijn van een ander.

Ad tertium dicendum quod ex ipsa bonitate divina ratio sumi potest praedestinationis aliquorum, et reprobationis aliorum. Sic enim Deus dicitur omnia propter suam bonitatem fecisse, ut in rebus divina bonitas repraesentetur. Necesse est autem quod divina bonitas, quae in se est una et simplex, multiformiter repraesentetur in rebus; propter hoc quod res creatae ad simplicitatem divinam attingere non possunt. Et inde est quod ad completionem universi requiruntur diversi gradus rerum, quarum quaedam altum, et quaedam infimum locum teneant in universo. Et ut multiformitas graduum conservetur in rebus, Deus permittit aliqua mala fieri, ne multa bona impediantur, ut supra dictum est. Sic igitur consideremus totum genus humanum, sicut totam rerum universitatem. Voluit igitur Deus in hominibus, quantum ad aliquos, quos praedestinat, suam repraesentare bonitatem per modum misericordiae, parcendo; et quantum ad aliquos, quos reprobat, per modum iustitiae, puniendo. Et haec est ratio quare Deus quosdam eligit, et quosdam reprobat. Et hanc causam assignat apostolus, ad Rom. IX, dicens, volens Deus ostendere iram (idest vindictam iustitiae), et notam facere potentiam suam, sustinuit (idest permisit) in multa patientia, vasa irae apta in interitum, ut ostenderet divitias gloriae suae in vasa misericordiae, quae praeparavit in gloriam. Et II Tim. II dicit, in magna autem domo non solum sunt vasa aurea et argentea, sed etiam lignea et fictilia; et quaedam quidem in honorem, quaedam in contumeliam. Sed quare hos elegit in gloriam, et illos reprobavit, non habet rationem nisi divinam voluntatem. Unde Augustinus dicit, super Ioannem, quare hunc trahat, et illum non trahat, noli velle diiudicare, si non vis errare. Sicut etiam in rebus naturalibus potest assignari ratio, cum prima materia tota sit in se uniformis, quare una pars eius est sub forma ignis, et alia sub forma terrae, a Deo in principio condita, ut scilicet sit diversitas specierum in rebus naturalibus. Sed quare haec pars materiae est sub ista forma, et illa sub alia, dependet ex simplici divina voluntate. Sicut ex simplici voluntate artificis dependet, quod ille lapis est in ista parte parietis, et ille in alia, quamvis ratio artis habeat quod aliqui sint in hac, et aliqui sint in illa. Neque tamen propter hoc est iniquitas apud Deum, si inaequalia non inaequalibus praeparat. Hoc enim esset contra iustitiae rationem, si praedestinationis effectus ex debito redderetur, et non daretur ex gratia. In his enim quae ex gratia dantur, potest aliquis pro libito suo dare cui vult, plus vel minus, dummodo nulli subtrahat debitum, absque praeiudicio iustitiae. Et hoc est quod dicit paterfamilias, Matt. XX, tolle quod tuum est, et vade. An non licet mihi quod volo, facere? (Iª q. 23 a. 5 ad 3)

3 — De reden waarom sommigen voorbestemd worden, en anderen verworpen, kan men vinden in Gods goed-zijn zelf. Men zegt immers, dat God alles gemaakt heeft om zijn goed-zijn, opdat zijn goed-zijn door de dingen zou afgebeeld worden. Het is echter noodig, dat Gods goed-zijn, dat op zichzelf één en onverdeelbaar is, op veelvuldige wijze in de dingen afgebeeld wordt, daar geen enkel schepsel Gods enkelvoudigheid kan voorstellen. Daarom vergt de voltooiing van het heelal verscheidenheid van wezensgraad, en moet het eene wezen hooger, het andere lager staan. Ook laat God zeker kwaad toe, om te beletten, dat veel goeds verhinderd wordt, opdat op die manier de veelvuldige verscheidenheid niet zou verloren gaan, zooals we hierboven gezegd hebben (XXIIe Kw.. IIe Art.). We kunnen echter het menschdom in zijn geheel beschouwen, evengoed als heel de schepping. Dan moeten we zeggen, dat God in sommigen zijn goed-zijn wou openbaren door zijn barmhartigheid, waardoor Hij de menschen spaart, en die heeft Hij voorbestemd; in anderen wou Hij zijn goed-zijn openbaren door zijn rechtvaardigheid, en die menschen heeft Hij verworpen. En om die reden worden sommigen uitverkoren, anderen verworpen. De Apostel geeft die reden op, wanneer hij in zijn Brief aan de Romeinen (9, 22-23) schrijft : « God wou zijn gramschap laten blijken, (d. i. zijn straffende rechtvaardigheid) en wou zijn macht laten kennen, en daarom heeft Hij met veel geduld vaten van gramschap verdragen (d. i. toegelaten), gemaakt om stukgeslagen te worden, opdat de rijkdom van zijn glorie zou uitschijnen in de vaten, van barmhartigheid, die Hij gemaakt heeft om verheerlijkt te worden. » En in zijn IIe Brief aan Timotheus (2, 20) schrijft hij : « In een groot huis zijn er niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden vaten; sommige zijn bestemd voor een eervol, andere voor een gemeen gebruik. » Maar de reden waarom die uitverkoren worden en anderen verworpen worden, is Gods wil alleen. Daarom zegt Augustinus in zijn Commentaar op Johannes (XXVI) : « Wilt ge niet verkeerd oordeelen, wacht dan niet te weten waarom Hij de eenen tot zich trekt, en de anderen niet. » Iets dergelijks kunnen we in de natuurdingen waarnemen. De eerste stof is immers in haar geheel van één en dezelfde natuur. En daarom kan men zeggen waarom in het begin van de schepping God een deel van de eerste stof onder den vorm van vuur geschapen heeft, en een ander deel onder den vorm van aarde, opdat er nl. in de natuurdingen verschillende soorten zouden zijn. Maar waarom nu juist dit deel van de eerste stof onder dien vorm, en dit deel onder een anderen vorm geschapen werd, dat hangt van Gods wil alleen af, zooals het ook alleen van den werkman afhangt, dat die steen op die plaats van den muur ingemetseld wordt, en die steen op die andere plaats, hoewel de bouwkunst vergt, dat sommige steenen hier, en andere daar geplaatst worden. God is echter niet onrechtvaardig, wanneer Hij voor gelijken ongelijke gaven voorbereidt. Was Hij er toe verplicht, het uitwerksel der voorbestemming mee te deelen, en was het geen vrije gave, dan zou Hij onrechtvaardig zijn. Maar wanneer iets uit louter vrijgevigheid geschonken wordt, dan mag men naar eigen goeddunken aan ieder geven wat men wil, aan de eenen meer, aan de anderen minder, op voorwaarde alleen, dat men aan niemand ontneemt wat hem toekomt. Met recht zegt dan ook de huisvader (Mattheus, 20, 14-15) : « Neem wat u toekomt, en ga heen. Of slaat het mij niet vrij, te doen wat ik wil? »

Articulus 6.
Is de Voorbestemming zeker?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod praedestinatio non sit certa. Quia super illud Apoc. III, tene quod habes, ne alius accipiat coronam tuam, dicit Augustinus, quod alius non est accepturus, nisi iste perdiderit. Potest ergo et acquiri et perdi corona, quae est praedestinationis effectus. Non est igitur praedestinatio certa. (Iª q. 23 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de voorbestemming niet zeker is. Om die woorden te verklaren uit het Boek der Openbaring (3, 11) : « Houd wat ge hebt, opdat een ander met uw kroon niet gekroond wordt », zegt Augustinus : « Een ander wordt met iemands kroon niet gekroond, tenzij die zijn kroon eerst verliest. » (Over Straf en Genade, XIIIe H.) Men kan dus zijn kroon, d. i. het uitwerksel der voorbestemming, verwerven of verliezen, en bijgevolg is de voorbestemming niet zeker.

Praeterea, posito possibili, nullum sequitur impossibile. Possibile est autem aliquem praedestinatum, ut Petrum, peccare, et tunc occidi. Hoc autem posito, sequitur praedestinationis effectum frustrari. Hoc igitur non est impossibile. Non ergo est praedestinatio certa. (Iª q. 23 a. 6 arg. 2)

2 — Uit iets wat mogelijk is, volgt nooit iets wat onmogelijk is. Welnu, het is mogelijk, dat een voorbestemde, b. v. Petrus, zondigt en dadelijk daarna vermoord wordt. Maar wanneer zoo iets gebeurt, dan bereikt de voorbestemming haar doel niet. Het is dus niet onmogelijk, dat de voorbestemming haar doel niet bereikt en bijgevolg is ze niet zeker.

Praeterea, quidquid Deus potuit, potest. Sed potuit non praedestinare quem praedestinavit. Ergo nunc potest non praedestinare. Ergo praedestinatio non est certa. (Iª q. 23 a. 6 arg. 3)

3 — Wat God vroeger kon, kan Hij nu nog. Maar Hij kon vroeger iemand, dien Hij voorbestemde, niet voorbestemmen. Dus kan Hij het nu nog, en bijgevolg is de voorbestemming niet zeker.

Sed contra est quod super illud Rom. VIII, quos praescivit, et praedestinavit etc., dicit Glossa, praedestinatio est praescientia et praeparatio beneficiorum Dei, qua certissime liberantur quicumque liberantur. (Iª q. 23 a. 6 s. c.)

Dit is echter in strijd met de verklaring die de Glossa (uit Augustinus : Over de Gave van Volharding, XIVe H.) geeft van de woorden uit den Brief aan de Romeinen (8, 29) : « Die welke Hij vooraf kende, heeft Hij voorbestemd. » Die Glossa zegt immers : « De voorbestemming is de voorkennis en de voorbereiding van Gods weldaden, waardoor zij, die verlost worden, met volkomen zekerheid verlost worden. »

Respondeo dicendum quod praedestinatio certissime et infallibiliter consequitur suum effectum, nec tamen imponit necessitatem, ut scilicet effectus eius ex necessitate proveniat. Dictum est enim supra quod praedestinatio est pars providentiae. Sed non omnia quae providentiae subduntur, necessaria sunt, sed quaedam contingenter eveniunt, secundum conditionem causarum proximarum, quas ad tales effectus divina providentia ordinavit. Et tamen providentiae ordo est infallibilis, ut supra ostensum est. Sic igitur et ordo praedestinationis est certus; et tamen libertas arbitrii non tollitur, ex qua contingenter provenit praedestinationis effectus. Ad hoc etiam consideranda sunt quae supra dicta sunt de divina scientia et de divina voluntate, quae contingentiam a rebus non tollunt, licet certissima et infallibilia sint. (Iª q. 23 a. 6 co.)

De voorbestemming is volkomen en onfeilbaar zeker in haar uitwerksel, en toch oefent ze geen dwang uit, waardoor het uitwerksel noodzakelijk zou volgen. We hebben immers hierboven (Ie Art) gezegd, dat de voorbestemming een onderdeel der voorzienigheid is. Welnu, niet alles wat onder de voorzienigheid valt, gebeurt noodzakelijk, maar sommige dingen zijn wisselvallig, door den aard van hun onmiddellijke oorzaken, waardoor Gods voorzienigheid zulke gevolgen wou bereiken. En toch is Gods voorzienigheid onfeilbaar, zooals we vroeger bewezen hebben (XXIIe Kw., IVe Art.). Bijgevolg is de door de voorbestemming ingevoerde orde zeker, hoewel de vrijheid van den wil niet vernietigd wordt, en met het oog op die vrijheid is het gevolg van de voorbestemmng wisselvallig. Men mag hier ook niet uit het oog verliezen wat we hierboven gezegd hebben over de kennis en den wil van God (XIVe Kw., XIIIe Art.) : dat nl., hoewel Gods kennis en Gods wil volstrekt zeker en onfeilbaar zijn, ze toch de wisselvalligheid in de dingen niet wegnemen.

Ad primum ergo dicendum quod corona dicitur esse alicuius, dupliciter. Uno modo, ex praedestinatione divina, et sic nullus coronam suam amittit. Alio modo, ex merito gratiae, quod enim meremur, quodammodo nostrum est. Et sic suam coronam aliquis amittere potest per peccatum mortale sequens. Alius autem illam coronam amissam accipit, inquantum loco eius subrogatur. Non enim permittit Deus aliquos cadere, quin alios erigat, secundum illud Iob XXXIV, conteret multos et innumerabiles, et stare faciet alios pro eis. Sic enim in locum Angelorum cadentium substituti sunt homines; et in locum Iudaeorum, gentiles. Substitutus autem in statum gratiae, etiam quantum ad hoc coronam cadentis accipit, quod de bonis quae alius fecit, in aeterna vita gaudebit, in qua unusquisque gaudebit de bonis tam a se quam ab aliis factis. (Iª q. 23 a. 6 ad 1)

1 — Een kroon kan aan iemand toekomen op twee manieren: ten eerste, door de voorbestemming van God, en dan zal niemand zijn kroon verliezen; ten tweede, door de verdienste van de genade, want iets wat we verdiend hebben komt ons toe, en dan kan iemand zijn kroon verliezen door de zonde. Een ander wordt dan met die kroon gekroond, in zoover hij de plaats van den eersten inneemt. God laat immers niet toe, dat sommigen vallen, zonder dat Hij er anderen verheft, naar het woord van Job (34, 24) : « Ontelbaar velen zal Hij verslaan, en anderen zal Hij in hun plaats doen opstaan. » Zoo hebben de menschen de plaats van de gevallen engelen ingenomen, en de heidenen die van de Joden. Men mag ook zeggen, dat hij die in iemands plaats de genade ontvangt, de kroon ontvangt van hem die gevallen is, omdat hij zich in het eeuwig leven zal verheugen om het goed dat die andere gedaan heeft, want in het eeuwig leven is er vreugde, én om het goed dat wij zelf deden, én om het goed, dat anderen deden.

Ad secundum dicendum quod, licet sit possibile eum qui est praedestinatus, mori in peccato mortali, secundum se consideratum; tamen hoc est impossibile, posito (prout scilicet ponitur) eum esse praedestinatum. Unde non sequitur quod praedestinatio falli possit. (Iª q. 23 a. 6 ad 2)

2 — Ofschoon het, op zichzelf beschouwd, mogelijk is, dat iemand die voorbestemd is, sterft in staat van doodzonde, toch is het onmogelijk, in de veronderstelling, dat hij voorbestemd is. Daarom bewijst die redeneering niet, dat de voorbestemming haar doel kan missen.

Ad tertium dicendum quod, cum praedestinatio includat divinam voluntatem, sicut supra dictum est quod Deum velle aliquid creatum est necessarium ex suppositione, propter immutabilitatem divinae voluntatis, non tamen absolute; ita dicendum est hic de praedestinatione. Unde non oportet dicere quod Deus possit non praedestinare quem praedestinavit, in sensu composito accipiendo; licet, absolute considerando, Deus possit praedestinare vel non praedestinare. Sed ex hoc non tollitur praedestinationis certitudo. (Iª q. 23 a. 6 ad 3)

3 — De voorbestemming sluit den wil van God in, zooals we hierboven bewezen hebben (XIXe Kw., IIIe Art.). Welnu, dat God iets wil, is niet volstrekt noodzakelijk, maar slechts voorwaardelijk, om de onveranderlijkheid nl. van zijn wil. Maar in de voorbestemming vinden we dezelfde noodzakelijkheid terug. Men mag dus niet zeggen, dat God een voorbestemde ook niet voorbestemmen kan, wanneer men het niet-voorbestemmen wil laten samengaan met het voorbestemmen, hoewel het, volstrekt beschouwd, mogelijk was, dat God hem voorbestemde, of niet voorbestemde. Dat neemt echter de zekerheid van de voorbestemming niet weg.

Articulus 7.
Staat het getal der voorbestemden vast?

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod numerus praedestinatorum non sit certus. Numerus enim cui potest fieri additio, non est certus. Sed numero praedestinatorum potest fieri additio, ut videtur, dicitur enim Deut. I, dominus Deus noster addat ad hunc numerum multa millia; Glossa, idest definitum apud Deum, qui novit qui sunt eius. Ergo numerus praedestinatorum non est certus. (Iª q. 23 a. 7 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het getal der voorbestemden niet vaststaat. Een getal immers, dat kan aangroeien, staat niet vast. Welnu, het getal der voorbestemden kan aangroeien, want Deuteronomium (1,11) lezen we : « Dat de Heer, onze God, dit getal met duizenden vermeerdere. » En de Glossa teekent daarbij aan : « Het hier bedoelde getal is het door God bepaalde getal van diegenen, die God kent als de zijnen. » Bijgevolg staat het getal der voorbestemden niet vast.

Praeterea, non potest assignari ratio quare magis in hoc numero quam in alio, Deus homines praeordinet ad salutem. Sed nihil a Deo sine ratione disponitur. Ergo non est certus numerus salvandorum praeordinatus a Deo. (Iª q. 23 a. 7 arg. 2)

2 — Men kan geen reden aangeven waarom God eerder dit getal dan een ander tot de zaligheid voorbestemt. Welnu, God doet niets zonder reden. Bijgevolg is er geen vaststaand getal voorbestemden door God bepaald.

Praeterea, operatio Dei est perfectior quam operatio naturae. Sed in operibus naturae bonum invenitur ut in pluribus, defectus autem et malum ut in paucioribus. Si igitur a Deo institueretur numerus salvandorum, plures essent salvandi quam damnandi. Cuius contrarium ostenditur Matt. VII, ubi dicitur, lata et spatiosa est via quae ducit ad perditionem, et multi sunt qui intrant per eam, angusta est porta, et arcta via, quae ducit ad vitam, et pauci sunt qui inveniunt eam. Non ergo est praeordinatus a Deo numerus salvandorum. (Iª q. 23 a. 7 arg. 3)

3 — De handeling van God is volmaakter dan die van de natuur. Welnu, waar de natuur werkt, is het goede de algemeene regel, en het slechte, de uitzondering. Wanneer dan God het getal der voorbestemden moest bepalen, dan zouden er meer zaligen dan verdoemden zijn. Maar bij Mattheus (7, 13-14) lezen we integendeel : « De weg die tot het verderf leidt is breed en wijd, en velen gaan hem op. De poort die naar het leven voert is echter eng, en de weg is smal, en weinigen vinden hem. » Bijgevolg staat het getal der voorbestemden niet vast.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro de correptione et gratia, certus est praedestinatorum numerus, qui neque augeri potest, neque minui. (Iª q. 23 a. 7 s. c.)

Dit is echter in strijd met wat Augustinus zegt in zijn Boek Over Straf en Genade (XIIIe H.) : « Het getal der voorbestemden staat vast. Het kan noch verminderen, noch vermeerderen. »

Respondeo dicendum quod numerus praedestinatorum est certus. Sed quidam dixerunt eum esse certum formaliter, sed non materialiter, ut puta si diceremus certum esse quod centum vel mille salventur, non autem quod hi vel illi. Sed hoc tollit certitudinem praedestinationis, de qua iam diximus. Et ideo oportet dicere quod numerus praedestinatorum sit certus Deo non solum formaliter, sed etiam materialiter. Sed advertendum est quod numerus praedestinatorum certus Deo dicitur, non solum ratione cognitionis, quia scilicet scit quot sunt salvandi (sic enim Deo certus est etiam numerus guttarum pluviae, et arenae maris); sed ratione electionis et definitionis cuiusdam. Ad cuius evidentiam, est sciendum quod omne agens intendit facere aliquid finitum, ut ex supradictis de infinito apparet. Quicumque autem intendit aliquam determinatam mensuram in suo effectu, excogitat aliquem numerum in partibus essentialibus eius, quae per se requiruntur ad perfectionem totius. Non enim per se eligit aliquem numerum in his quae non principaliter requiruntur, sed solum propter aliud, sed in tanto numero accipit huiusmodi, inquantum sunt necessaria propter aliud. Sicut aedificator excogitat determinatam mensuram domus, et etiam determinatum numerum mansionum quas vult facere in domo, et determinatum numerum mensurarum parietis vel tecti, non autem eligit determinatum numerum lapidum, sed accipit tot, quot sufficiunt ad explendam tantam mensuram parietis. Sic igitur considerandum est in Deo, respectu totius universitatis quae est eius effectus. Praeordinavit enim in qua mensura deberet esse totum universum, et quis numerus esset conveniens essentialibus partibus universi, quae scilicet habent aliquo modo ordinem ad perpetuitatem; quot scilicet sphaerae, quot stellae, quot elementa, quot species rerum. Individua vero corruptibilia non ordinantur ad bonum universi quasi principaliter, sed quasi secundario, inquantum in eis salvatur bonum speciei. Unde, licet Deus sciat numerum omnium individuorum, non tamen numerus vel boum vel culicum, vel aliorum huiusmodi, est per se praeordinatus a Deo, sed tot ex huiusmodi divina providentia produxit, quot sufficiunt ad specierum conservationem. Inter omnes autem creaturas, principalius ordinantur ad bonum universi creaturae rationales, quae, inquantum huiusmodi, incorruptibiles sunt; et potissime illae quae beatitudinem consequuntur, quae immediatius attingunt ultimum finem. Unde certus est Deo numerus praedestinatorum, non solum per modum cognitionis, sed etiam per modum cuiusdam principalis praefinitionis. Non sic autem omnino est de numero reproborum; qui videntur esse praeordinati a Deo in bonum electorum, quibus omnia cooperantur in bonum. De numero autem omnium praedestinatorum hominum, quis sit, dicunt quidam quod tot ex hominibus salvabuntur, quot Angeli ceciderunt. Quidam vero, quod tot salvabuntur, quot Angeli remanserunt. Quidam vero, quod tot ex hominibus salvabuntur, quot Angeli ceciderunt, et insuper tot, quot fuerunt Angeli creati. Sed melius dicitur quod soli Deo est cognitus numerus electorum in superna felicitate locandus. (Iª q. 23 a. 7 co.)

Het getal der voorbestemden staat vast. Sommigen echter zeiden, dat het getal wel formeel vaststaat, maar niet materieel, m. a. w., het staat vast, dat er b. v. honderd, of duizend zullen zalig worden, maar niet, dat die zullen zalig worden, of die anderen. Maar in dit geval zou de voorbestemming onzeker zijn, zooals we in het voorgaand Artikel gezegd hebben. Bijgevolg staat het getal der voorbestemden bij God vast, niet alleen formeel, maar ook materieel. Men mag echter niet uit het oog verliezen, dat het getal der voorbestemden bij God vaststaat, niet alleen om zijn kennis, omdat Hij nl. weet hoevelen er zullen zalig worden, — op die manier staat immers ook het getal der regendruppels en der zandkorrels vast bij Hem, — maar ook om een zekere keus en een zekere omschrijving. Tot klaarder begrip hiervan het volgende : ieder werkend wezen beoogt een bepaald uitwerksel, zooals hierboven reeds bleek bij de behandeling van het oneindige (VIIe Kw., IVe Art.) Welnu, wanneer men een bepaalde maat wil geven aan een uitwerksel, dan stelt men het getal vast van de wezensdeelen, die op zichzelf noodig zijn om het geheel te voltooien. Maar het getal van die deelen, die niet op zichzelf vereischt zijn, maar alleen om iets anders, wordt niet op zichzelf vastgesteld, maar van die dingen neemt men er zooveel als er noodig zijn voor iets anders. Zoo doet de bouwmeester, die een bepaalde grootte vaststelt voor een huis, het getal kamers bepaalt, en de afmetingen van muren en daken. Hij bepaalt echter niet, dat hij zooveel of zooveel steenen wil gebruiken, maar hij gebruikt er zooveel als er noodig zijn om de muren op te trekken met hun bepaalde grootte. Zoo ook handelt God met betrekking tot het heelal, dat zijn werk is. Hij bepaalde vooraf hoe groot het heelal moest zijn, stelde het getal vast van de wezensdeelen die het moest hebben, d. i. van die delen welke in zekere mate bestendig zijn, en bepaalde dus vooraf hoeveel hemelkringen, hoeveel sterren, hoeveel elementen, hoeveel wezenssoorten er moesten zijn. De vergankelijke individuen echter worden niet uiteraard vereischt tot de volkomenheid van het geheel, maar slechts op bijkomstige wijze, in zoover men er nl. de soort in terugvindt. En ofschoon God het getal kent van al de individuen, toch heeft Hij het getal van de ossen, de muggen, enz., niet vooraf bepaald op zichzelf, maar van die wezens bracht de goddelijke voorzienigheid er zooveel voort, als er noodig waren om de soort voort te zetten. Onder al de schepselen echter dragen de redelijke wezens het meest bij tot het goed van het heelal, omdat ze als zoodanig onvergankelijk zijn. Maar voornamelijk dragen die redelijke schepselen bij tot het goed van het heelal, die de zaligheid zullen verwerven, en met het einddoel onmiddellijk vereenigd zullen zijn. Daarom moet het getal der voorbestemden bij God vaststaan, niet alleen omdat God het vooraf kent, maar ook omdat, Hij het op bizondere wijze vooraf bepaalt. Wat echter het getal van de verworpenen betreft, dat moet niet op zichzelf bepaald worden, omdat ze door God gericht worden op het goed der voorbestemden, voor wie alles ten goede medewerkt. Hoeveel menschen zijn er nu juist voorbestemd? Sommigen zeggen, evenveel als er engelen gevallen zijn; anderen, evenveel als er engelen getrouw bleven; nog anderen zeggen, dat dit getal even groot zal zijn als dat van de gevallen engelen, vermeerderd met het getal der engelen die geschapen werden. Het is echter best, te zeggen, dat God alleen het getal der uitverkorenen kent, die moeten opgenomen worden in de eeuwige zaligheid.

Ad primum ergo dicendum quod verbum illud Deuteronomii est intelligendum de illis qui sunt praenotati a Deo respectu praesentis iustitiae. Horum enim numerus et augetur et minuitur, et non numerus praedestinatorum. (Iª q. 23 a. 7 ad 1)

1 — Die woorden van Deuteronomium hebben betrekking op diegenen van wie God vooraf weet, dat ze in dit leven rechtvaardig zullen zijn. Dit getal kan vermeerderen en verminderen, maar niet het getal der voorbestemden.

Ad secundum dicendum quod ratio quantitatis alicuius partis, accipienda est ex proportione illius partis ad totum. Sic enim est apud Deum ratio quare tot stellas fecerit, vel tot rerum species, et quare tot praedestinavit, ex proportione partium principalium ad bonum universi. (Iª q. 23 a. 7 ad 2)

2 — De grootte van een deel wordt gemeten naar de verhouding van dit deel tot het geheel. ïn die verhouding ligt de reden waarom God zooveel sterren of zooveel wezenssoorten gemaakt Heeft, en waarom er zooveel voorbestemden zijn; dit getal werd vastgesteld met het oog op de verhouding van de voornaamste deelen tot het goed van het heelal.

Ad tertium dicendum quod bonum proportionatum communi statui naturae, accidit ut in pluribus; et defectus ab hoc bono, ut in paucioribus. Sed bonum quod excedit communem statum naturae, invenitur ut in paucioribus; et defectus ab hoc bono, ut in pluribus. Sicut patet quod plures homines sunt qui habent sufficientem scientiam ad regimen vitae suae, pauciores autem qui hac scientia carent, qui moriones vel stulti dicuntur, sed paucissimi sunt, respectu aliorum, qui attingunt ad habendam profundam scientiam intelligibilium rerum. Cum igitur beatitudo aeterna, in visione Dei consistens, excedat communem statum naturae, et praecipue secundum quod est gratia destituta per corruptionem originalis peccati, pauciores sunt qui salvantur. Et in hoc etiam maxime misericordia Dei apparet, quod aliquos in illam salutem erigit, a qua plurimi deficiunt secundum communem cursum et inclinationem naturae. (Iª q. 23 a. 7 ad 3)

3 — Het goede is de algemeene regel, en het kwade, de uitzondering, wanneer het een goed betreft, dat geëvenaard is met de algemeene eischen van de natuur. Maar wanneer het een goed betreft, dat de gewone eischen der natuur te boven gaat, dan is het goede uitzondering, en het gemis van dit goed, de algemeene regel. Zoo worden er meer menschen gevonden, die bekwaam zijn om hun leven te regelen, zooals het hoort, dan menschen, die er niet toe in staat zijn, en die men dwazen noemt. Maar menschen, die een diepe kennis hebben van de kenbare dingen, zijn er heel weinig, vooral wanneer men let op het groot aantal anderen. Aangezien nu de eeuwige zaligheid, die in de Godsaanschouwing bestaat, de algemeene eischen der natuur overtreft, voornamelijk in zoover de natuur door de erfzonde beroofd is van de genade, zijn diegenen, die zalig worden, een minderheid. En dat is weer een blijk van Gods barmhartigheid, dat Hij sommigen oproept tot het heil, waarvan de meesten naar den gewonen gang en neiging der natuur afwijken.

Articulus 8.
Dragen de gebeden der Heiligen tot de voorbestemming iets bij?

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod praedestinatio non possit iuvari precibus sanctorum. Nullum enim aeternum praeceditur ab aliquo temporali, et per consequens non potest temporale iuvare ad hoc quod aliquod aeternum sit. Sed praedestinatio est aeterna. Cum igitur preces sanctorum sint temporales, non possunt iuvare ad hoc quod aliquis praedestinetur. Non ergo praedestinatio iuvatur precibus sanctorum. (Iª q. 23 a. 8 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de gebeden der Heiligen niets bijdragen tot de voorbestemming. Het lijdelijke immers kan het eeuwige onmogelijk voorafgaan, en kan er dus niet toe bijdragen, dat het eeuwige ontstaat. Welnu, de voorbestemming is eeuwig, en de gebeden der Heiligen zijn iets tijdelijks. Bijgevolg kunnen de gebeden der Heiligen niets bijdragen tot de voorbestemming.

Praeterea, sicut nihil indiget consilio nisi propter defectum cognitionis, ita nihil indiget auxilio nisi propter defectum virtutis. Sed neutrum horum competit Deo praedestinanti, unde dicitur Rom. XI, quis adiuvit spiritum domini? Aut quis consiliarius eius fuit? Ergo praedestinatio non iuvatur precibus sanctorum. (Iª q. 23 a. 8 arg. 2)

2 — Zooals alleen hij raad noodig heeft, wien het aan kennis ontbreekt, zoo ook heeft alleen diegene hulp noodig, wien het aan kracht ontbreekt. Maar God, die de menschen voorbestemt, heeft noch kennis, noch kracht te kort. Daarom staat er geschreven in den Brief aan de Romeinen (11, 34) : « Wie hielp Gods geest? Of wie was zijn raadsman? » Bijgevolg dragen de gebeden der Heiligen tot de voorbestemming niets bij.

Praeterea, eiusdem est adiuvari et impediri. Sed praedestinatio non potest aliquo impediri. Ergo non potest aliquo iuvari. (Iª q. 23 a. 8 arg. 3)

3 — Wie geholpen wordt, kan ook verhinderd worden. Welnu, niets kan de voorbestemming verhinderen. Dus kan niets ze bevorderen.

Sed contra est quod dicitur Genes. XXV, quod Isaac rogavit Deum pro Rebecca uxore sua, et dedit conceptum Rebeccae. Ex illo autem conceptu natus est Iacob, qui praedestinatus fuit. Non autem fuisset impleta praedestinatio, si natus non fuisset. Ergo praedestinatio iuvatur precibus sanctorum. (Iª q. 23 a. 8 s. c.)

Daartegenover staat echter wat we lezen in het Boek der Schepping (25, 21), dat nl. Isaac God smeekte om Rebecca, zijn vrouw, en dat Rebecca bevrucht werd, en het leven schonk aan Jacob, die voorbestemd was. Was Jacob niet geboren, dan werd die voorbestemming niet verwezenlijkt. Dus dragen de gebeden der Heiligen tot de voorbestemming iets bij.

Respondeo dicendum quod circa hanc quaestionem diversi errores fuerunt. Quidam enim, attendentes certitudinem divinae praedestinationis, dixerunt superfluas esse orationes, vel quidquid aliud fiat ad salutem aeternam consequendam, quia his factis vel non factis, praedestinati consequuntur, reprobati non consequuntur. Sed contra hoc sunt omnes admonitiones sacrae Scripturae, exhortantes ad orationem, et ad alia bona opera. Alii vero dixerunt quod per orationes mutatur divina praedestinatio. Et haec dicitur fuisse opinio Aegyptiorum, qui ponebant ordinationem divinam, quam fatum appellabant, aliquibus sacrificiis et orationibus impediri posse. Sed contra hoc etiam est auctoritas sacrae Scripturae. Dicitur enim I Reg. XV, porro triumphator in Israel non parcet, neque poenitudine flectetur. Et Rom. XI dicitur quod sine poenitentia sunt dona Dei et vocatio. Et ideo aliter dicendum, quod in praedestinatione duo sunt consideranda, scilicet ipsa praeordinatio divina, et effectus eius. Quantum igitur ad primum, nullo modo praedestinatio iuvatur precibus sanctorum, non enim precibus sanctorum fit, quod aliquis praedestinetur a Deo. Quantum vero ad secundum, dicitur praedestinatio iuvari precibus sanctorum, et aliis bonis operibus, quia providentia, cuius praedestinatio est pars, non subtrahit causas secundas, sed sic providet effectus, ut etiam ordo causarum secundarum subiaceat providentiae. Sicut igitur sic providentur naturales effectus, ut etiam causae naturales ad illos naturales effectus ordinentur, sine quibus illi effectus non provenirent; ita praedestinatur a Deo salus alicuius, ut etiam sub ordine praedestinationis cadat quidquid hominem promovet in salutem, vel orationes propriae, vel aliorum, vel alia bona, vel quidquid huiusmodi, sine quibus aliquis salutem non consequitur. Unde praedestinatis conandum est ad bene operandum et orandum, quia per huiusmodi praedestinationis effectus certitudinaliter impletur. Propter quod dicitur II Petr. I, satagite, ut per bona opera certam vestram vocationem et electionem faciatis. (Iª q. 23 a. 8 co.)

Omtrent dit vraagstuk hebben er verschillende dwalingen geheerscht. Omdat de goddelijke voorbestemming zeker is, achtten sommigen de gebeden of wat er ook gedaan wordt om zalig te worden, overbodig; of men het doet of niet, de voorbestemden gaan naar den hemel, de verworpenen niet. Maar dat is strijdig met de Schriftuur, die ons opwekt tot het gebed en tot andere goede werken. Anderen meenden, dat de gebeden de voorbestemming kunnen veranderen. Zoo zouden de Egyptenaren gedacht hebben, dat men de goddelijke voorbeschikking, die zij het Noodlot noemden, door offers en gebeden kon verhinderen. Ook dit is tegen de Schriftuur, daar we in het Ie Boek Koningen lezen (15, 29) : « Israëls overwinnaar zal niets sparen, en zich door geen boete laten bewegen. » En in den Brief aan de Romeinen lezen we (11, 29) : « Gods gaven en Gods roeping zijn zonder berouw. » Men moet dus een andere meening voorstaan, en in de voorbestemming onderscheid maken tusschen de goddelijke voorbestemming zelf en het uitwerksel er van. Tot de voorbestemming zelf draagt het gebed der Heiligen niets bij, want niemand wordt voorbestemd, omdat de Heiligen er voor bidden. Maar tot het uitwerksel van de voorbestemming kunnen de gebeden en de andere goede werken iets bijdragen: de voorzienigheid immers, waarvan de voorbestemming een onderdeel is, neemt de ondergeschikte oorzaken niet weg, maar voorziet de uitwerkselen op zulke wijze, dat ook de ondergeschikte oorzaken onder haar vooruitzicht vallen. Evenals God de werking der natuur op zulke wijze voorziet, dat ook natuurlijke oorzaken voorzien worden voor de natuurlijke uitwerkselen, zonder welke die uitwerkselen niet zouden ontstaan, zoo ook valt onder de orde van de voorbestemming alles wat iemands zaligheid kan bevorderen, zoowel zijn persoonlijke gebeden als die van anderen, of welke andere goede werken ook, zonder welke de zaligheid niet verworven wordt. De voorbestemde moet zich dus toeleggen op gebed en goede werken, want daardoor wordt het uitwerksel van de voorbestemming zeker bereikt. Daarom ook zegt de IIe Brief van Petrus (1, 10) : « Beijvert U, om uw roeping en uw uitverkiezing door goede werken te verzekeren. »

Ad primum ergo dicendum quod ratio illa ostendit quod praedestinatio non iuvatur precibus sanctorum, quantum ad ipsam praeordinationem. (Iª q. 23 a. 8 ad 1)

1 — Die tegenwerping bewijst alleen, dat de gebeden van de heiligen niets kunnen bijdragen tot de voorbestemming zelf.

Ad secundum dicendum quod aliquis dicitur adiuvari per alium, dupliciter. Uno modo, inquantum ab eo accipit virtutem, et sic adiuvari infirmi est, unde Deo non competit. Et sic intelligitur illud, quis adiuvit spiritum domini? Alio modo dicitur quis adiuvari per aliquem, per quem exequitur suam operationem, sicut dominus per ministrum. Et hoc modo Deus adiuvatur per nos, inquantum exequimur suam ordinationem, secundum illud I ad Cor. III, Dei enim adiutores sumus. Neque hoc est propter defectum divinae virtutis, sed quia utitur causis mediis, ut ordinis pulchritudo servetur in rebus, et ut etiam creaturis dignitatem causalitatis communicet. (Iª q. 23 a. 8 ad 2)

2 — Iemand kan op twee wijzen door iemand geholpen worden: ten eerste, door van hem nieuwe krachten te ontvangen, en op die wijze worden zij, die zwak zijn, geholpen. God wordt echter op die wijze niet geholpen. En met het oog op die manier om iemand te helpen vraagt de Apostel : « Wie hielp Gods geest? » Ten tweede kan men geholpen worden doordat iemand ons taak volbrengt, zooals een meester geholpen wordt door zijn knecht. Op die tweede manier wordt God door ons geholpen, in zoover we de door Hem bepaalde orde verwezenlijken. En in dien zin lezen we in den Ie Corinthiërbrief (3, 9) : « We zijn Gods medehelpers. » Dit wijst echter geen tekort aan in Gods kracht, want Hij bedient zich van tusschenoorzaken, om de heerlijkheid van de orde in de dingen te bewaren, en om aan de schepselen de waardigheid der oorzakelijkheid mee te deelen.

Ad tertium dicendum quod secundae causae non possunt egredi ordinem causae primae universalis, ut supra dictum est; sed ipsum exequuntur. Et ideo praedestinatio per creaturas potest adiuvari, sed non impediri. (Iª q. 23 a. 8 ad 3)

3 — De ondergeschikte oorzaken kunnen niet ontsnappen aan de orde van de eerste en algemeene oorzaak, zooals hierboven bewezen is (XIXe Kw., VIe Ar.), maar ze voeren de door haar bepaalde orde uit. Bijgevolg kunnen de ondergeschikte oorzaken de voorbestemming wel bevorderen, maar niet, verhinderen.