QuaestioArticulus

Prima pars. Quaestio 16.
Over de waarheid .

Prooemium

Quoniam autem scientia verorum est, post considerationem scientiae Dei, de veritate inquirendum est. Circa quam quaeruntur octo. Primo, utrum veritas sit in re, vel tantum in intellectu. Secundo, utrum sit tantum in intellectu componente et dividente. Tertio, de comparatione veri ad ens. Quarto, de comparatione veri ad bonum. Quinto, utrum Deus sit veritas. Sexto, utrum omnia sint vera veritate una, vel pluribus. Septimo, de aeternitate veritatis. Octavo, de incommutabilitate ipsius. (Iª q. 16 pr.)

Daar de kennis het ware tot voorwerp heeft, dienen wij, na de kennis van God, de waarheid te beschouwen. We verdeden die stof in acht artikelen : 1e) Is de waarheid in het ding of alleen in het verstand? 2e) Is zij alleen in het samenstellend en scheidend verstand? 3e) Hoe verhoudt zich het ware tot het zijnde? 4e) Hoe verhoudt zich het ware tot het goede? 5e) Is God waarheid? 6e) Zijn alle dingen waar door één ofwel door meerdere waarheden? 7e) Is de waarheid eeuwig? 8e) Is zij onveranderlijk?

Articulus 1.
Is de waarheid alleen in het verstand?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod veritas non sit tantum in intellectu, sed magis in rebus. Augustinus enim, in libro Soliloq., reprobat hanc notificationem veri, verum est id quod videtur, quia secundum hoc, lapides qui sunt in abditissimo terrae sinu, non essent veri lapides, quia non videntur. Reprobat etiam istam, verum est quod ita se habet ut videtur cognitori, si velit et possit cognoscere, quia secundum hoc sequeretur quod nihil esset verum, si nullus posset cognoscere. Et definit sic verum, verum est id quod est. Et sic videtur quod veritas sit in rebus, et non in intellectu. (Iª q. 16 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de waarheid niet alleen in liet verstand is, maar veeleer in de dingen. Augustinus verwerpt immers in het IIe Boek der Alleenspraken (Ve H.) de volgende begripsverklaring van de waarheid : « Het ware is datgene wat men ziet » : dan zouden immers de steenen, in den schoot der aarde verborgen, geen ware steenen zijn, want men ziet ze niet. Hij wijst ook die bepaling van de hand: « Het ware is datgene wat op zichzelf is, zooals het den kennende schijnt te zijn, wanneer hij het wil en kan kennen ». Volgens die verklaring toch zou iets niet waar zijn, indien niemand het kan kennen. Zijn bepaling luidt als volgt : « Het ware is datgene, wat is ». De waarheid schijnt dus in de de dingen te zijn, en niet in het verstand.

Praeterea, quidquid est verum, veritate verum est. Si igitur veritas est in intellectu solo, nihil erit verum nisi secundum quod intelligitur, quod est error antiquorum philosophorum, qui dicebant omne quod videtur, esse verum. Ad quod sequitur contradictoria simul esse vera, cum contradictoria simul a diversis vera esse videantur. (Iª q. 16 a. 1 arg. 2)

2 — Al wat waar is, is waar door de waarheid. Indien de waarheid alleen in het verstand is, is niets waar, tenzij in zoover het begrepen wordt, en dit is de dwaling van de oude wijsgeeren, die meenden, dat al wat voor iemand waar schijnt, waar is, waaruit volgt, dat bevestigingen, die met elkaar in tegenspraak zijn, tegelijk waar zijn, daar zij tegelijk door verschillenden voor waar worden gehouden.

Praeterea, propter quod unumquodque, et illud magis, ut patet I Poster. Sed ex eo quod res est vel non est, est opinio vel oratio vera vel falsa, secundum philosophum in praedicamentis. Ergo veritas magis est in rebus quam in intellectu. (Iª q. 16 a. 1 arg. 3)

3 — Wanneer iets een zekere hoedanigheid heeft door iets anders, dan vindt men die hoedanigheid in dit laatste op meer volmaakte wijze terug, zooals blijkt uit het tweede werk Over de Redeneering (1e B., IIe H., Nr 15). Welnu, de meening of uitspraak is waar of verkeerd, door het zijn of niet-zijn van het ding, zooals de Wijsgeer zegt in het Boek Over de Pmedicamenten (IIIe H., Nr 22). Dus is de waarheid veeleer in de dingen dan in het verstand.

Sed contra est quod philosophus dicit, VI Metaphys., quod verum et falsum non sunt in rebus, sed in intellectu. (Iª q. 16 a. 1 s. c.)

Dit druischt echter in tegen wat de Wijsgeer zegt in het VIe Boek der Metaphysica (Ve B., IVe H., Nr 1), dat het ware en het valsche niet in de dingen zijn, maar in het verstand.

Respondeo dicendum quod, sicut bonum nominat id in quod tendit appetitus, ita verum nominat id in quod tendit intellectus. Hoc autem distat inter appetitum et intellectum, sive quamcumque cognitionem, quia cognitio est secundum quod cognitum est in cognoscente, appetitus autem est secundum quod appetens inclinatur in ipsam rem appetitam. Et sic terminus appetitus, quod est bonum, est in re appetibili, sed terminus cognitionis, quod est verum, est in ipso intellectu. Sicut autem bonum est in re, inquantum habet ordinem ad appetitum; et propter hoc ratio bonitatis derivatur a re appetibili in appetitum, secundum quod appetitus dicitur bonus, prout est boni, ita, cum verum sit in intellectu secundum quod conformatur rei intellectae, necesse est quod ratio veri ab intellectu ad rem intellectam derivetur, ut res etiam intellecta vera dicatur, secundum quod habet aliquem ordinem ad intellectum. Res autem intellecta ad intellectum aliquem potest habere ordinem vel per se, vel per accidens. Per se quidem habet ordinem ad intellectum a quo dependet secundum suum esse, per accidens autem ad intellectum a quo cognoscibilis est. Sicut si dicamus quod domus comparatur ad intellectum artificis per se, per accidens autem comparatur ad intellectum a quo non dependet. Iudicium autem de re non sumitur secundum id quod inest ei per accidens, sed secundum id quod inest ei per se. Unde unaquaeque res dicitur vera absolute, secundum ordinem ad intellectum a quo dependet. Et inde est quod res artificiales dicuntur verae per ordinem ad intellectum nostrum, dicitur enim domus vera, quae assequitur similitudinem formae quae est in mente artificis; et dicitur oratio vera, inquantum est signum intellectus veri. Et similiter res naturales dicuntur esse verae, secundum quod assequuntur similitudinem specierum quae sunt in mente divina, dicitur enim verus lapis, qui assequitur propriam lapidis naturam, secundum praeconceptionem intellectus divini. Sic ergo veritas principaliter est in intellectu; secundario vero in rebus, secundum quod comparantur ad intellectum ut ad principium. Et secundum hoc, veritas diversimode notificatur. Nam Augustinus, in libro de vera Relig., dicit quod veritas est, qua ostenditur id quod est. Et Hilarius dicit quod verum est declarativum aut manifestativum esse. Et hoc pertinet ad veritatem secundum quod est in intellectu. Ad veritatem autem rei secundum ordinem ad intellectum, pertinet definitio Augustini in libro de vera Relig., veritas est summa similitudo principii, quae sine ulla dissimilitudine est. Et quaedam definitio Anselmi, veritas est rectitudo sola mente perceptibilis; nam rectum est, quod principio concordat. Et quaedam definitio Avicennae, veritas uniuscuiusque rei est proprietas sui esse quod stabilitum est ei. Quod autem dicitur quod veritas est adaequatio rei et intellectus potest ad utrumque pertinere. (Iª q. 16 a. 1 co.)

Zooals wij datgene, waar het begeervermogen naar streeft, goed noemen, zoo noemen wij datgene, waar het verstand naar streeft, waar. Hierin echter verschilt het streefvermogen van het verstand of van welke kennis ook, dat er kennis is, in zoover het gekende in den kennende is; streven is er daarentegen in zoover de strevende naar het begeerde ding zelf streeft. Daaruit volgt, dat datgene, wat eindterm is van het streven, nl. het goed, in het begeerde ding, is, maar wat eindterm is van de kennis, nl. hiet ware, is in het verstand. Het goede nu is in het ding, in zoover dit ding in verhouding staat tot het streefvermogen, en daarom wordt het begrip goedheid van het begeerlijk voorwerp overgedragen op het streefvermogen, zoodat wij dit laatste goed noemen, omdat het een goed beoogt. Op dezelfde wijze dient het begrip waarheid overgedragen te worden van het verstand op het gekende ding, aangezien het ware in het verstand is, voor zoover het verstand een gelijkvormigheid bezit met het gekende ding, zoodat wij ook dit laatste waar noemen, omdat het in verhouding staat tot het verstand. Een gekend ding nu kan in verhouding staan tot een verstand, óf uiteraard, óf op bijkomstige wijze. Uiteraard staat het in verhouding tot dat verstand, waarvan het afhankelijk is naar z’n zijn; op bijkomstige wijze staat het in verhouding tot dat verstand, waarvoor het een kenobjekt kan zijn. Zoo zouden wij b. v. kunnen zeggen, dat het huis uiteraard in verhouding staat tot het verstand van den bouwkundige, en op bijkomstige wijze tot het verstand van iemand van wie het niet afhangt. Welnu, men oordeelt niet over een ding volgens datgene, wat er op bijkomstige wijze aan toekomt, maar volgens datgene, wat er uiteraard aan toekomt. Daarom noemen wij een ding in volstrekten zin waar, volgens zijn verhouding tot dat verstand, waarvan het afhangt. Om die reden worden de kunstmatige dingen waar genoemd, met betrekking tot ons verstand; waar immers noemt men het huis, dat de gelijkenis vertoont van den vorm, dien de bouwkundige in zijn geest ontworpen heeft, en waar noemt men ook een uitspraak, voor zoover zij een ware kennis uitdrukt. Op dezelfde wijze noemen wij de natuurdingen waar, in zoover zij gelijkvormig zijn met de denkbeelden van het goddelijk verstand; een ware steen immers is die, welke de natuur van den steen bezit, overeenkomstig het oorbeeld dat er van vooraf bestaat in het goddelijk verstand. Daarom is de waarheid voornamelijk in het verstand, en slechts op bijkomstige wijze in de dingen, voor zoover deze in verhouding staan tot het verstand, als tot hun beginsel. In aansluiting met de gegeven verklaringen kan men van de waarheid verschillende bepalingen geven. Augustinus zegt immers in het Boek Over den Waren Godsdienst (XXXVIe H.) : « De Waarheid is datgene, waardoor iets aangetoond wordt wat is »; en Hilarius zegt in het Ve Boek Over de Drieéénheid (Nr 14) : « De Waarheid is het bekend maken en het in het licht stellen van het zijn », en die bepalingen hebben betrekking op de waarheid voor zoover zij in het verstand is. Maar de bepaling die Augustinus geeft in het Boek Over den waren Godsdienst, t. a. pl.: « Waarheid is de opperste gelijkvormigheid met het beginsel, zonder de minste ongelijkvormigheid »; en een bepaling van Anselmus in zijn Samenspraak over de Waarheid (XIIe H.) : « De Waarheid is een juistheid, die alleen door het verstand kan worden waargenomen », juist is toch datgene, wat met zijn beginsel overeenkomt, alsook een bepaling, die Avicenna geeft in zijn Metaphysica (VIIIe H.) : « De waarheid van elk ding is een eigenschap van het zijn, dat er aan meegedeeld werd », al die bepalingen slaan op de waarheid van het ding, beschouwd met betrekking tot het verstand. Daarentegen is de bepaling : « De waarheid is de overeenkomst van het ding en het verstand », voor het een zoowel als voor het ander geldig.

Ad primum ergo dicendum quod Augustinus loquitur de veritate rei; et excludit a ratione huius veritatis, comparationem ad intellectum nostrum. Nam id quod est per accidens, ab unaquaque definitione excluditur. (Iª q. 16 a. 1 ad 1)

1 — Augustinus heeft het over de waarheid van het ding; en van het begrip van die waarheid sluit hij de verhouding uit tot ons verstand. Want wat bijkomstig is, moet uit iedere bepaling uitgesloten worden.

Ad secundum dicendum quod antiqui philosophi species rerum naturalium non dicebant procedere ab aliquo intellectu, sed eas provenire a casu, et quia considerabant quod verum importat comparationem ad intellectum, cogebantur veritatem rerum constituere in ordine ad intellectum nostrum. Ex quo inconvenientia sequebantur quae philosophus prosequitur in IV Metaphys. Quae quidem inconvenientia non accidunt, si ponamus veritatem rerum consistere in comparatione ad intellectum divinum. (Iª q. 16 a. 1 ad 2)

2 — De oude Wijsgeeren namen niet aan, dat de soorten der natuurdingen voortkwamen van een of ander verstand, maar van het toevallen daar zij inzagen, dat het ware een verhouding meebrengt tot het verstand, moesten zij de waarheid der dingen laten bestaan in hun verhouding tot ons verstand; vandaar de bezwaren, die de Wijsgeer aanvoert in het IVe Boek der Metaphysica (t. a. pl.) Maar die bezwaren gaan niet op, indien wij aannemen, dat de waarheid van de dingen bestaat in hun verhouding tot het goddelijk verstand.

Ad tertium dicendum quod, licet veritas intellectus nostri a re causetur, non tamen oportet quod in re per prius inveniatur ratio veritatis, sicut neque in medicina per prius invenitur ratio sanitatis quam in animali; virtus enim medicinae, non sanitas eius, causat sanitatem, cum non sit agens univocum. Et similiter esse rei, non veritas eius, causat veritatem intellectus. Unde philosophus dicit quod opinio et oratio vera est ex eo quod res est, non ex eo quod res vera est. (Iª q. 16 a. 1 ad 3)

3 — Hoewel de waarheid van ons verstand veroorzaakt wordt door de dingen, toch moet het begrip van de waarheid niet eerst en vooral in het ding zijn, evenmin als het begrip van de gezondheid eerder in het geneesmiddel is dan in het lichaam : niet de gezondheid toch van het geneesmiddel, maar zijn heelkracht brengt de gezondheid teweeg, daar een geneesmiddel geen gelijksoortige oorzaak is. En op gelijke wijze is het zijn van het ding, niet de waarheid er van, de oorzaak van de waarheid in het verstand. Om die reden zegt de Wijsgeer dan ook, dat de meening en de uitspraak waar zijn, omdat het ding is, en niet omdat het ding waar is.

Articulus 2.
Is de waarheid alleen inliet samenstellend en scheidendverstand?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod veritas non sit solum in intellectu componente et dividente. Dicit enim philosophus, in III de anima, quod sicut sensus propriorum sensibilium semper veri sunt, ita et intellectus eius quod quid est. Sed compositio et divisio non est neque in sensu, neque in intellectu cognoscente quod quid est. Ergo veritas non solum est in compositione et divisione intellectus. (Iª q. 16 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de waarheid niet alleen in het samenstellend en scheidend verstand is. De Wijsgeer zegt immers in het IIIe Boek Over de Ziel (VIe H., Nr 7), dat, evenals de zintuigelijke waarneming van het eigen zinnelijk objekt altijd waar is, ook de verstandelijke kennis van de watheid altijd waar is. Welnu, noch in de zintuigelijke waarneming, noch in de verstandelijke kennis van wat de watheid is, komt samenstelling of scheiding voor. De waarheid is dus niet alleen in het samenstellend of scheidend verstand.

Praeterea, Isaac dicit, in libro de definitionibus, quod veritas est adaequatio rei et intellectus. Sed sicut intellectus complexorum potest adaequari rebus, ita intellectus incomplexorum, et etiam sensus sentiens rem ut est. Ergo veritas non est solum in compositione et divisione intellectus. (Iª q. 16 a. 2 arg. 2)

2 — Isaac zegt in het Boek der Bepalingen, dat de waarheid bestaat in de overeenkomst van het ding en het verstand. Welnu, evenals de verstandelijke kennis overeen kan komen met de dingen in haar oordeel, zoo kan zij het ook in haar enkelvoudig begrijpen. En hetzelfde geldt voor het zintuig, dat, het ding aanvoelt, gelijk het is. De waarheid is dus niet alleen in het samenstellend of scheidend verstand.

Sed contra est quod dicit philosophus, in VI Metaphys., quod circa simplicia et quod quid est non est veritas, nec in intellectu neque in rebus. (Iª q. 16 a. 2 s. c.)

De Wijsgeer echter zegt in het VIe Boek der Metaphysica (Ve B., IVe H., Nr 1), dat er, noch in het verstand, noch in de dingen waarheid is, met betrekking tot de enkelvoudige termen en tot de watheid van de dingen.

Respondeo dicendum quod verum, sicut dictum est, secundum sui primam rationem est in intellectu. Cum autem omnis res sit vera secundum quod habet propriam formam naturae suae, necesse est quod intellectus, inquantum est cognoscens, sit verus inquantum habet similitudinem rei cognitae, quae est forma eius inquantum est cognoscens. Et propter hoc per conformitatem intellectus et rei veritas definitur. Unde conformitatem istam cognoscere, est cognoscere veritatem. Hanc autem nullo modo sensus cognoscit, licet enim visus habeat similitudinem visibilis, non tamen cognoscit comparationem quae est inter rem visam et id quod ipse apprehendit de ea. Intellectus autem conformitatem sui ad rem intelligibilem cognoscere potest, sed tamen non apprehendit eam secundum quod cognoscit de aliquo quod quid est; sed quando iudicat rem ita se habere sicut est forma quam de re apprehendit, tunc primo cognoscit et dicit verum. Et hoc facit componendo et dividendo, nam in omni propositione aliquam formam significatam per praedicatum, vel applicat alicui rei significatae per subiectum, vel removet ab ea. Et ideo bene invenitur quod sensus est verus de aliqua re, vel intellectus cognoscendo quod quid est, sed non quod cognoscat aut dicat verum. Et similiter est de vocibus complexis aut incomplexis. Veritas quidem igitur potest esse in sensu, vel in intellectu cognoscente quod quid est, ut in quadam re vera, non autem ut cognitum in cognoscente, quod importat nomen veri; perfectio enim intellectus est verum ut cognitum. Et ideo, proprie loquendo, veritas est in intellectu componente et dividente, non autem in sensu, neque in intellectu cognoscente quod quid est. (Iª q. 16 a. 2 co.)

Zooals wij in het vorig Artikel gezegd hebben, is het ware, volgens zijn eerste begrip, in het verstand. Welnu, elk ding is waar, in zoover het den vorm heeft van zijn natuur. Daarom moet het verstand, in zoover het iets kent, waar zijn, in zoover het gelijkvormig is met het gekende, dat de vorm van het verstand is, in zoover het kent. Daarom wordt de waarheid bepaald als de overeenkomst van het verstand en van het ding; de overeenstemming kennen, is dus de waarheid kennen. Dit ligt echter buiten het bereik van de zintuigelijke kennis. Ofschoon het gezicht een gelijkenis heeft van het zichtbaar ding, kent het toch de overeenkomst niet tusschen het zichtbaar ding en zijn waarneming er van. Maar het verstand kan zijn overeenkomst kennen met het verstandelijk-kenbare, al kent het die niet, in zoover het de watheid kent. Wanneer het echter oordeelt, dat het ding inderdaad zóó is op zich zelf, zooals de kenvorm is, dien het er van heeft, dan kent het voor het eerst de waarheid, en drukt het ze uit, en dat doet het verstand door samen te stellen en van elkaar te scheiden. In elke uitdrukking van het oordeel toch, past het verstand een vorm, die door het gezegde wordt aangeduid, toe op het ding, dat wordt aangeduid door het onderwerp, of scheidt het er dien vorm van af. Daarom juist bevinden wij wel, dat de zintuigelijke waarneming van een of ander ding, of de verstandelijke kennis van de watheid, waar zijn, maar niet, dat ze de waarheid kennen of uitdrukken. En hetzelfde geldt voor de samengestelde uitspraken. Er kan dus waarheid zijn in de zintuigelijke waarneming, of in de verstandelijke kennis van de watheid, zooals in een ding dat waar is, maar niet zooals een gekend ding in den kennende is, wat toch ligt opgesloten in de beteekenis van het woord waar. De volmaaktheid van het verstand is immers het ware, als zoodanig gekend. En daarom treft men de waarheid in eigenlijken zin aan in het samenstellend of scheidend verstand, maar niet in de zintuigelijke waarneming, noch in de verstandelijke kennis van de watheid.

Et per hoc patet solutio ad obiecta. (Iª q. 16 a. 2 ad arg.)

1 — En die verklaring volstaat als antwoord op de bedenkingen.

Articulus 3.
Zijn het ware en het zijnde omkeerbaar?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod verum et ens non convertantur. Verum enim est proprie in intellectu, ut dictum est. Ens autem proprie est in rebus. Ergo non convertuntur. (Iª q. 16 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het ware en het zijnde niet omkeerbaar zijn. Het ware is eigenlijk in het verstand, volgens het Ie Art. van deze Kwestie; het zijnde daarentegen is eigenlijk in de dingen. Bijgevolg zijn zij niet omkeerbaar.

Praeterea, id quod se extendit ad ens et non ens, non convertitur cum ente. Sed verum se extendit ad ens et non ens, nam verum est quod est esse, et quod non est non esse. Ergo verum et ens non convertuntur. (Iª q. 16 a. 3 arg. 2)

2 — Datgene wat zich uitstrekt tot het zijnde en het niet-zijnde is niet omkeerbaar met het zijnde, want het is waar, dat wat is, is, en dat wat niet is, niet is. Dus zijn het ware en het zijnde niet omkeerbaar.

Praeterea, quae se habent secundum prius et posterius, non videntur converti. Sed verum videtur prius esse quam ens, nam ens non intelligitur nisi sub ratione veri. Ergo videtur quod non sint convertibilia. (Iª q. 16 a. 3 arg. 3)

3 — De dingen waarvan het één den voorrang heeft op het ander, zijn blijkbaar niet omkeerbaar. Welnu, het ware heeft den voorrang op het zijnde, want het zijnde is niet denkbaar, tenzij als iets waars. Zij zijn dus niet omkeerbaar.

Sed contra est quod dicit philosophus, II Metaphys., quod eadem est dispositio rerum in esse et veritate. (Iª q. 16 a. 3 s. c.)

In het IIe Boek der Metaphysica (Ie B., a, Ie H., Nr 3) zegt de Wijsgeer echter : « De dingen staan in dezelfde verhouding tot het zijn als tot de waarheid. »

Respondeo dicendum quod, sicut bonum habet rationem appetibilis, ita verum habet ordinem ad cognitionem. Unumquodque autem inquantum habet de esse, intantum est cognoscibile. Et propter hoc dicitur in III de anima, quod anima est quodammodo omnia secundum sensum et intellectum. Et ideo, sicut bonum convertitur cum ente, ita et verum. Sed tamen, sicut bonum addit rationem appetibilis supra ens, ita et verum comparationem ad intellectum. (Iª q. 16 a. 3 co.)

Evenals het goede begeerlijk is, verhoudt het ware zich tot de kennis. Welnu, ieder ding is in die mate kenbaar, waarin het wezen heeft. Daarom wordt in het IIIe Boek Over de Ziel (VIIIe H. Nr 1) gezegd, dat de ziel in zekeren zin alles is, nl. door de zinnen en het verstand. Bijgevolg is het ware omkeerbaar met het zijnde, zoowel als het goede. Maar evenals het goede aan het zijnde het begrip van het begeerlijk zijn toevoegt, zoo voegt het ware er een verhouding aan toe tot het verstand.

Ad primum ergo dicendum quod verum est in rebus et in intellectu, ut dictum est. Verum autem quod est in rebus, convertitur cum ente secundum substantiam. Sed verum quod est in intellectu, convertitur cum ente, ut manifestativum cum manifestato. Hoc enim est de ratione veri, ut dictum est. Quamvis posset dici quod etiam ens est in rebus et in intellectu, sicut et verum; licet verum principaliter in intellectu, ens vero principaliter in rebus. Et hoc accidit propter hoc, quod verum et ens differunt ratione. (Iª q. 16 a. 3 ad 1)

1 — Het ware is én in de dingen, én in het verstand, zooals hierboven gezegd werd (Ie Art.). Welnu, het ware, dat in de dingen is, is naar de werkelijkheid omkeerbaar met het zijnde, maar het ware dat in het verstand is, is omkeerbaar met het zijnde, zooals de voorstelling met het voorgestelde. Dit immers behoort tot het begrip van het ware, zooals op dezelfde plaats gezegd is. Men zou ook kunnen zeggen, dat ook het zijnde én in de dingen, én in het verstand is, zoowel als het ware, behalve dit verschil, dat het ware hoofdzakelijk in het verstand is, en het zijnde hoofdzakelijk in de dingen. Dit verschil berust hierop, dat er tusschen het ware en het zijnde een begripsonderscheid is.

Ad secundum dicendum quod non ens non habet in se unde cognoscatur, sed cognoscitur inquantum intellectus facit illud cognoscibile. Unde verum fundatur in ente, inquantum non ens est quoddam ens rationis, apprehensum scilicet a ratione. (Iª q. 16 a. 3 ad 2)

2 — Het niet-zijnde is uiteraard niet kenbaar, maar men kent het, voor zoover het verstand het kenbaar maakt. Bijgevolg steunt het ware op het zijnde, in zoover het niet-zijnde een begripsding is, dat bestaat in de opvatting van het verstand.

Ad tertium dicendum quod, cum dicitur quod ens non potest apprehendi sine ratione veri, hoc potest dupliciter intelligi. Uno modo, ita quod non apprehendatur ens, nisi ratio veri assequatur apprehensionem entis. Et sic locutio habet veritatem. Alio modo posset sic intelligi, quod ens non posset apprehendi, nisi apprehenderetur ratio veri. Et hoc falsum est. Sed verum non potest apprehendi, nisi apprehendatur ratio entis, quia ens cadit in ratione veri. Et est simile sicut si comparemus intelligibile ad ens. Non enim potest intelligi ens, quin ens sit intelligibile, sed tamen potest intelligi ens, ita quod non intelligatur eius intelligibilitas. Et similiter ens intellectum est verum, non tamen intelligendo ens, intelligitur verum. (Iª q. 16 a. 3 ad 3)

3 — De stelling : Het zijnde kan niet begrepen worden zonder het begrip van het ware, kan op twee wijzen verklaard worden : eerst zóó, dat men het zijnde niet kan kennen, zonder dat het begrip van het ware op die kennis volgt; en in dien zin is de stelling juist; ten tweede zóó, dat het zijnde niet kan gekend worden, tenzij ook het begrip van het ware gekend wordt, en deze verklaring is verkeerd. Omgekeerd kan men echter het ware niet kennen, zonder tevens het zijnde te kennen, want het zijnde valt onder het begrip van het ware. Hetzelfde doet zich voor, wanneer wij het denkbare vergelijken met het zijnde : men kan immers het zijnde niet denken, indien het niet denkbaar is; niettemin kan men het zijnde kennen, zonder zijn denkbaarheid te kennen. Zoo is ook het zijnde, dat gekend is, waar, maar daarom kent men het ware nog niet, wanneer men het zijnde kent.

Articulus 4.
Gaat het goede, naar heti begrip, het ware vooraf?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod bonum secundum rationem sit prius quam verum. Quod enim est universalius, secundum rationem prius est, ut patet ex I Physic. Sed bonum est universalius quam verum, nam verum est quoddam bonum, scilicet intellectus. Ergo bonum prius est secundum rationem quam verum. (Iª q. 16 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het goede naar het begrip het ware voorafgaat. Het meer algemeene immers gaat, naar het begrip, vooraf, zooals blijkt uit het Ie Boek der Physica (Ve H., Nr 9). Welnu, het goede is algemeener dan het ware, want het ware is een zeker goed, nl. het goed van het verstand. Dus gaat het goede, naar het begrip, het ware vooraf.

Praeterea, bonum est in rebus, verum autem in compositione et divisione intellectus, ut dictum est. Sed ea quae sunt in re, sunt priora his quae sunt in intellectu. Ergo prius est secundum rationem bonum quam verum. (Iª q. 16 a. 4 arg. 2)

2 — Het goede is in de dingen, het ware echter, in het samenstellend of scheidend verstand, zooals hierboven gezegd werd (IIe Art.). Maar datgene wat in de dingen is, gaat datgene vooraf, wat in het verstand is. Dus gaat het goede, naar het begrip, het ware vooraf.

Praeterea, veritas est quaedam species virtutis, ut patet in IV Ethic. Sed virtus continetur sub bono, est enim bona qualitas mentis, ut dicit Augustinus. Ergo bonum est prius quam verum. (Iª q. 16 a. 4 arg. 3)

3 — De waarheid is een soort deugd, zooals blijkt uit het IVe Boek der Ethica (VIIe H., Nr 6, v.v.). Maar de deugd wordt gerangschikt onder het goede: zij is immers een goede hoedanigheid van den geest, zooals Augustinus zegt in het IIe Boek Over de Vrijheid van den Wil (XIXe H.). Dus gaat het goede het ware vooraf.

Sed contra, quod est in pluribus, est prius secundum rationem. Sed verum est in quibusdam in quibus non est bonum, scilicet in mathematicis. Ergo verum est prius quam bonum. (Iª q. 16 a. 4 s. c.)

Hiertegen kan men echter inbrengen, dat datgene, wat bij een grooter aantal wordt aangetroffen, naar het begrip vooraf gaat. Welnu, het ware is in zekere dingen, waarin het goede niet is, nl. in het objekt der mathematica. Dus gaat het ware het goede vooraf.

Respondeo dicendum quod, licet bonum et verum supposito convertantur cum ente, tamen ratione differunt. Et secundum hoc verum, absolute loquendo, prius est quam bonum. Quod ex duobus apparet. Primo quidem ex hoc, quod verum propinquius se habet ad ens, quod est prius, quam bonum. Nam verum respicit ipsum esse simpliciter et immediate, ratio autem boni consequitur esse, secundum quod est aliquo modo perfectum; sic enim appetibile est. Secundo apparet ex hoc, quod cognitio naturaliter praecedit appetitum. Unde, cum verum respiciat cognitionem, bonum autem appetitum, prius erit verum quam bonum secundum rationem. (Iª q. 16 a. 4 co.)

Hoewel het goede en het ware met het zijnde omkeerbaar zijn, in dien zin, dat ze in hetzelfde ding zijn, toch ligt er een begripsonderscheid tusschen beiden. Daarom gaat het ware, volstrekt gesproken, naar het begrip het goede vooraf. Dit blijkt hieruit : ten eerste, het ware staat dichter bij het zijnde, dat den voorrang heeft op het goede. Het ware immers staat onmiddellijk in betrekking met het zijn, en niet in een zeker opzicht: het begrip goed echter volgt op het zijn, voor zoover het op een of andere wijze volmaakt is; dan is het immers begeerlijk. Ten tweede, de kennis komt van nature vóór het streven. En daar het ware betrekking heeft op kennis, het goede echter op het streven, gaat het ware, naar het begrip, het goede vooraf.

Ad primum ergo dicendum quod voluntas et intellectus mutuo se includunt, nam intellectus intelligit voluntatem, et voluntas vult intellectum intelligere. Sic ergo inter illa quae ordinantur ad obiectum voluntatis, continentur etiam ea quae sunt intellectus; et e converso. Unde in ordine appetibilium, bonum se habet ut universale, et verum ut particulare, in ordine autem intelligibilium est e converso. Ex hoc ergo quod verum est quoddam bonum, sequitur quod bonum sit prius in ordine appetibilium, non autem quod sit prius simpliciter. (Iª q. 16 a. 4 ad 1)

1 — Wil en verstand sluiten elkander in, want het verstand begrijpt den wil, en de wil wil, dat het verstand begrijpt. En daarom behoort ook het objekt van het verstand tot de dingen, die onder het voorwerp vallen van den wil, en andersom. Bijgevolg neemt het goede onder de begeerlijke dingen de plaats in van het algemeene, en het ware, die van het bizondere; maar voor de verstandelijk-kenbare dingen is het andersom. Uit het feit dus, dat het ware een zeker goed is, besluit men terecht, dat het goede den voorrang heeft onder de begeerlijke dingen, maar niet, dat het zonder beperking het ware voorafgaat.

Ad secundum dicendum quod secundum hoc est aliquid prius ratione, quod prius cadit in intellectu. Intellectus autem per prius apprehendit ipsum ens; et secundario apprehendit se intelligere ens; et tertio apprehendit se appetere ens. Unde primo est ratio entis, secundo ratio veri, tertio ratio boni, licet bonum sit in rebus. (Iª q. 16 a. 4 ad 2)

2 — Datgene gaat, naar het begrip, vooraf, wat het eerst in de waarneming valt van het verstand. Welnu, het verstand begrijpt eerst het zijnde, vervolgens ziet het in, dat het het zijnde kent; ten derde, dat het het zijnde begeert. Bijgevolg worden de begrippen gerangschikt als volgt : ten eerste het begrip zijnde, ten tweede, het begrip waar, en ten derde, het begrip goed, hoewel het goede in de dingen is.

Ad tertium dicendum quod virtus quae dicitur veritas, non est veritas communis, sed quaedam veritas secundum quam homo in dictis et factis ostendit se ut est. Veritas autem vitae dicitur particulariter, secundum quod homo in vita sua implet illud ad quod ordinatur per intellectum divinum, sicut etiam dictum est veritatem esse in ceteris rebus. Veritas autem iustitiae est secundum quod homo servat id quod debet alteri secundum ordinem legum. Unde ex his particularibus veritatibus non est procedendum ad veritatem communem. (Iª q. 16 a. 4 ad 3)

3 — De deugd, die wij Waarheid noemen, is niet de waarheid volgens de gewone beteekenis van het woord, maar bestaat hierin, dat de mensch zich in woord en daad vertoont, zooals hij is. Door levenswaarheid verstaat men, dat de mensch de beschikkingen naleeft van het goddelijk verstand over hem, en op die wijze is ook de waarheid in de andere dingen, zooals wij hierboven gezegd hebben (Ie Art.). Door de waarheid der gerechtigheid bedoelt men, dat de mensch zich schikt naar de wetten in zijn verplichtingen tegenover den naaste. Bedenkingen, welke getrokken zijn uit die bizondere soorten van waarheid, gaan dus niet op voor de waarheid in de gewone beteekenis van het woord.

Articulus 5.
Is God de waarheid?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod Deus non sit veritas. Veritas enim consistit in compositione et divisione intellectus. Sed in Deo non est compositio et divisio. Ergo non est ibi veritas. (Iª q. 16 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat God de waarheid niet is. De waarheid immers bestaat in samenstelling en scheiding van het verstand. Welnu, in God is er geen samenstelling noch scheiding. Er is dus in Hem ook geen waarheid.

Praeterea, veritas, secundum Augustinum, in libro de vera Relig., est similitudo principii. Sed Dei non est similitudo ad principium. Ergo in Deo non est veritas. (Iª q. 16 a. 5 arg. 2)

2 — De waarheid is volgens de leer van Augustinus in het Boek Over den Waren Godsdienst (XXXVIe H.) gelijkenis met het beginsel. Maar in God is er geen gelijkenis met een beginsel. Dus is er ook geen waarheid in Hem.

Praeterea, quidquid dicitur de Deo, dicitur de eo ut de prima causa omnium, sicut esse Dei est causa omnis esse, et bonitas eius est causa omnis boni. Si ergo in Deo sit veritas, ergo omne verum erit ab ipso. Sed aliquem peccare est verum. Ergo hoc erit a Deo. Quod patet esse falsum. (Iª q. 16 a. 5 arg. 3)

3 — Al wat wij aan God toekennen, kennen wij Hem toe, als aan de eerste oorzaak van alle dingen. Zoo is het zijn van God de oorzaak van ieder zijn, en is zijn goedheid de oorzaak van elk goed. Indien er dus waarheid is in God, dan komt alle waarheid van Hem. Welnu, het is waar dat iemand zondigt. Dus zou dit ook van God komen, wat blijkbaar valsch is.

Sed contra est quod dicit dominus, Ioan. XIV, ego sum via, veritas et vita. (Iª q. 16 a. 5 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt, Johannes (14, 6) : « Ik ben de weg, de waarheid, en het leven. »

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, veritas invenitur in intellectu secundum quod apprehendit rem ut est, et in re secundum quod habet esse conformabile intellectui. Hoc autem maxime invenitur in Deo. Nam esse suum non solum est conforme suo intellectui, sed etiam est ipsum suum intelligere; et suum intelligere est mensura et causa omnis alterius esse, et omnis alterius intellectus; et ipse est suum esse et intelligere. Unde sequitur quod non solum in ipso sit veritas, sed quod ipse sit ipsa summa et prima veritas. (Iª q. 16 a. 5 co.)

Zooals wij hierboven gezegd hebben (Ie Art.), is er waarheid in het verstand, voor zoover het een ding kent, zooals het is; en in de dingen, voor zoover hun wezen gelijkvormig is met het verstand. Welnu, dit vinden wij in de hoogste mate bij God. Zijn zijn is immers niet alleen gelijkvormig met zijn verstand, maar is zijn kennen zelf, en zijn kennen is de maatstaf en de oorzaak van elk ander zijn en van elk ander verstand, en Hij zelf is zijn zijn en zijn kennen. Daaruit volgt, dat er niet alleen in Hem waarheid is, maar dat Hij zelf de opperste en eerste Waarheid is.

Ad primum ergo dicendum quod, licet in intellectu divino non sit compositio et divisio, tamen secundum suam simplicem intelligentiam iudicat de omnibus, et cognoscit omnia complexa. Et sic in intellectu eius est veritas. (Iª q. 16 a. 5 ad 1)

1 — Hoewel er in het goddelijk verstand geen samenstelling noch scheiding is, oordeelt God toch volgens zijn enkelvoudig inzicht over alles, en kent Hij alle samenstellingen, en op die wijze is er waarheid in zijn verstand.

Ad secundum dicendum quod verum intellectus nostri est secundum quod conformatur suo principio, scilicet rebus, a quibus cognitionem accipit. Veritas etiam rerum est secundum quod conformantur suo principio, scilicet intellectui divino. Sed hoc, proprie loquendo, non potest dici in veritate divina, nisi forte secundum quod veritas appropriatur filio, qui habet principium. Sed si de veritate essentialiter dicta loquamur, non potest intelligi, nisi resolvatur affirmativa in negativam, sicut cum dicitur, pater est a se, quia non est ab alio. Et similiter dici potest similitudo principii veritas divina, inquantum esse suum non est suo intellectui dissimile. (Iª q. 16 a. 5 ad 2)

2 — In ons verstand is er waarheid, voor zoover het overeenstemt met zijn beginsel, nl. met de dingen waaraan het zijn kennis ontleent; ook in de dingen is er waarheid, voor zoover zij overeenkomen met hun beginsel, d. i. met het goddelijk verstand. Dit mag men eigenlijk niet toeschrijven aan de goddelijke waarheid, tenzij misschien voor zoover de waarheid toegeeigend wordt aan den Zoon, die een beginsel heeft. Maar wanneer het gaat over de waarheid die aan God toekomt naar zijn wezen, dan mag men zóó niet uitdrukken wat de waarheid is, tenzij door de bevestiging te verstaan als een ontkenning, zooals men kan zeggen : de Vader is uit zichzelf, omdat Hij niet uit een ander is. Op die wijze kan men ook zeggen, dat de waarheid van God bestaat in een gelijkenis met zijn beginsel, omdat zijn zijn niet verschilt van zijn verstand.

Ad tertium dicendum quod non ens et privationes non habent ex seipsis veritatem, sed solum ex apprehensione intellectus. Omnis autem apprehensio intellectus a Deo est, unde quidquid est veritatis in hoc quod dico, istum fornicari est verum, totum est a Deo. Sed si arguatur, ergo istum fornicari est a Deo, est fallacia accidentis. (Iª q. 16 a. 5 ad 3)

3 — Het niet-zijnde en het gemis hebben geen waarheid uit zichzelf, maar door de opvatting van het verstand. Welnu, iedere kennis van het verstand heeft zijn oorsprong in God, en daarom is God de oorzaak van geheel de waarheid van dit gezegde : Het is waar, dat die mensch overspel bedrijft. Maar daarop voortredeneeren, en zeggen : dus is God de oorzaak van het overspel, is het bijkomstige met het essentieele verwarren.

Articulus 6.
Is de waarheid, waardoor alle dingen waar zijn, eenig?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod una sola sit veritas, secundum quam omnia sunt vera. Quia, secundum Augustinum, nihil est maius mente humana, nisi Deus. Sed veritas est maior mente humana, alioquin mens iudicaret de veritate; nunc autem omnia iudicat secundum veritatem, et non secundum seipsam. Ergo solus Deus est veritas. Ergo non est alia veritas quam Deus. (Iª q. 16 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de waarheid, waardoor alle dingen waar zijn, eenig is. Want zoo als Augustinus zegt in het XVe Boek Over de Drieéénheid (Ie H.) is er niets boven ’s menschen géést verheven, tenzij God. Welnu, de waarheid staat boven ’s menschen geest, want anders zou het verstand de waarheid zelf beoordeelen, terwijl het nu alles beoordeelt volgens de waarheid, en niet volgens zichzelf. Dus is alleen God waarheid, en is er bijgevolg geen waarheid buiten God.

Praeterea, Anselmus dicit, in libro de veritate, quod sicut tempus se habet ad temporalia, ita veritas ad res veras. Sed unum est tempus omnium temporalium. Ergo una est veritas, qua omnia vera sunt. (Iª q. 16 a. 6 arg. 2)

2 — Anselmus zegt in het Boek Over de Waarheid (XIVe H.), dat de tijd zich verhoudt tot de tijdelijke dingen, zooals de waarheid zich verhoudt tot de dingen die waar zijn. Welnu, voor alle tijdelijke dingen is de tijd één. Dus is ook de waarheid, waardoor alle dingen waar zijn, één.

Sed contra est quod in Psalmo XI dicitur, diminutae sunt veritates a filiis hominum. (Iª q. 16 a. 6 s. c.)

Daartegenover staat echter, wat we lezen in Psalm 11, 2 : « De waarheden verminderen onder de kinderen der menschen ».

Respondeo dicendum quod quodammodo una est veritas, qua omnia sunt vera, et quodammodo non. Ad cuius evidentiam, sciendum est quod, quando aliquid praedicatur univoce de multis, illud in quolibet eorum secundum propriam rationem invenitur, sicut animal in qualibet specie animalis. Sed quando aliquid dicitur analogice de multis, illud invenitur secundum propriam rationem in uno eorum tantum, a quo alia denominantur. Sicut sanum dicitur de animali et urina et medicina, non quod sanitas sit nisi in animali tantum, sed a sanitate animalis denominatur medicina sana, inquantum est illius sanitatis effectiva, et urina, inquantum est illius sanitatis significativa. Et quamvis sanitas non sit in medicina neque in urina, tamen in utroque est aliquid per quod hoc quidem facit, illud autem significat sanitatem. Dictum est autem quod veritas per prius est in intellectu, et per posterius in rebus, secundum quod ordinantur ad intellectum divinum. Si ergo loquamur de veritate prout existit in intellectu, secundum propriam rationem, sic in multis intellectibus creatis sunt multae veritates; etiam in uno et eodem intellectu, secundum plura cognita. Unde dicit Glossa super illud Psalmi XI, diminutae sunt veritates a filiis hominum etc., quod sicut ab una facie hominis resultant plures similitudines in speculo, sic ab una veritate divina resultant plures veritates. Si vero loquamur de veritate secundum quod est in rebus, sic omnes sunt verae una prima veritate, cui unumquodque assimilatur secundum suam entitatem. Et sic, licet plures sint essentiae vel formae rerum, tamen una est veritas divini intellectus, secundum quam omnes res denominantur verae. (Iª q. 16 a. 6 co.)

In een zekeren zin is de waarheid, waardoor alle dingen waar zijn, één, en in een anderen zin, niet. Om dit duidelijk in te zien moet men in acht nemen dat, wanneer iets op eenzinnige wijze van vele dingen gezegd wordt, men datzelfde ding naar zijn eigen begrip in elk ding terugvindt, zooals het dier in elke diersoort. Maar wanneer iets op deelsgelijkende wijze gezegd wordt, dan vinden wij het naar zijn eigen begrip slechts in één enkel terug, waaraan de andere hun benaming ontleenen ; zoo noemen wij het lichaam, het water en de geneesmiddelen gezond, niet omdat de gezondheid nog aan iets anders dan aan het lichaam toekomt, maar omdat wij, met het oog op de gezondheid van het lichaam, het geneesmiddel gezond noemen, als iets wat de gezondheid teweegbrengt, en het water, als een teeken er van. En hoewel de gezondheid noch in het geneesmiddel, noch in het water is, is er toch in beide iets, waardoor het een de gezondheid teweeg brengt, en het ander ze te kennen geeft. Welnu wij hebben hierboven gezegd (1e Art.), dat de waarheid op de eerste plaats in het verstand is en daarna in de dingen, in zoover ze zich verhouden tot het goddelijk verstand. Spreekt men dus van de waarheid, zooals zij, in den eigenlijken zin van het woord, in het verstand is, dan zijn er verschillende waarheden in de verschillende geschapen verstanden, en zelfs in een en hetzelfde verstand, wanneer het verschillende dingen kent. Daarom zegt de Clossa op deze woorden van Psalm 11,2: « De waarheden verminderen onder de kinderen der menschen » (Glossa getrokken uit het commentaar van S. Augustinus op denzelfden psalm) : « Evenals er van één aangezicht verschillende afbeeldsels weerkaatst worden door een spiegel, zoo ontstaan er ook uit de ééne goddelijke waarheid verschillende waarheden. » Bedoelt men echter de waarheid, zooals ze in die dingen is, dan zijn alle dingen waar door één eerste waarheid, waaraan elk ding volgens zijn wezen gelijkvormig is. En hoe talrijk ook de wezenheden of vormen der dingen zijn, is er toch maar één waarheid, nl. die van het goddelijk verstand, naar welke alle dingen waar genoemd worden.

Ad primum ergo dicendum quod anima non secundum quamcumque veritatem iudicat de rebus omnibus; sed secundum veritatem primam, inquantum resultat in ea sicut in speculo, secundum prima intelligibilia. Unde sequitur quod veritas prima sit maior anima. Et tamen etiam veritas creata, quae est in intellectu nostro, est maior anima, non simpliciter, sed secundum quid, inquantum est perfectio eius; sicut etiam scientia posset dici maior anima. Sed verum est quod nihil subsistens est maius mente rationali, nisi Deus. (Iª q. 16 a. 6 ad 1)

1 — De ziel toetst haar oordeel over elk ding niet aan iedere waarheid, maar aan de eerste waarheid, voor zoover deze in het verstand als weerspiegeld wordt door de eerste beginselen. Daaruit volgt, dat de eerste waarheid boven de ziel verheven is. Toch is ook de geschapen waarheid, die in ons verstand is, edeler dan de ziel, niet volstrekt, maar in een bepaald opzicht, voor zoover zij er nl. een volmaaktheid van is, evenals ook de wetenschap edeler mag genoemd worden dan de ziel. Maar toch staat het vast, dat geen enkel zelfstandig-staand wezen boven den verstandelijken geest verheven is, tenzij God.

Ad secundum dicendum quod dictum Anselmi veritatem habet, secundum quod res dicuntur verae per comparationem ad intellectum divinum. (Iª q. 16 a. 6 ad 2)

2 — De woorden van Anselmus zijn juist, in dien zin, dat de dingen waar genoemd worden, met betrekking tot het goddelijk verstand.

Articulus 7.
Is de geschapen waarheid eeuwig?

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod veritas creata sit aeterna. Dicit enim Augustinus, in libro de libero arbitrio, quod nihil est magis aeternum quam ratio circuli, et duo et tria esse quinque. Sed horum veritas est veritas creata. Ergo veritas creata est aeterna. (Iª q. 16 a. 7 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de geschapen waarheid eeuwig is. Augustinus immers zegt in het Boek Over de Vrijheid van den Wil (VIIIe H.), dat niets meer eeuwig is, dan het begrip cirkel, en de waarheid : twee en drie is vijf. Welnu, de waarheid van die dingen is geschapen. Dus is de geschapen waarheid eeuwig.

Praeterea, omne quod est semper, est aeternum. Sed universalia sunt ubique et semper. Ergo sunt aeterna. Ergo et verum, quod est maxime universale. (Iª q. 16 a. 7 arg. 2)

2 — Wat altijd is, is eeuwig. Welnu, de algemeene begrippen zijn overal en altijd. Zij zijn dus eeuwig, en bijgevolg is ook het begrip waarheid, dat het meest algemeen is, eeuwig.

Praeterea, id quod est verum in praesenti, semper fuit verum esse futurum. Sed sicut veritas propositionis de praesenti est veritas creata, ita veritas propositionis de futuro. Ergo aliqua veritas creata est aeterna. (Iª q. 16 a. 7 arg. 3)

3 — Het is altijd waar geweest, dat wat op dit oogenblik waar is, ook waar is in de toekomst. Welnu, evenals de waarheid van een uitspraak over het tegenwoordige een geschapen waarheid is, zoo is ook de waarheid van een uitspraak over de toekomst geschapen. Dus is er een geschapen waarheid, die eeuwig is.

Praeterea, omne quod caret principio et fine, est aeternum. Sed veritas enuntiabilium caret principio et fine. Quia, si veritas incoepit cum ante non esset, verum erat veritatem non esse, et utique aliqua veritate verum erat, et sic veritas erat antequam inciperet. Et similiter si ponatur veritatem habere finem, sequitur quod sit postquam desierit, verum enim erit veritatem non esse. Ergo veritas est aeterna. (Iª q. 16 a. 7 arg. 4)

4 — Wat noch begin, noch einde heeft, is eeuwig. Welnu, de waarheid van het oordeel heeft begin noch einde. Indien immers de waarheid ontstaan is, en vroeger niet was, dan was het waar, dat de waarheid niet bestond, en dit was waar door een zekere waarheid, en zóó was de waarheid vóór zij was. En in de veronderstelling, dat die waarheid een einde hééft, volgt daaruit, dat de waarheid bestaat, nadat ze niet meer is : het zal immers waar zijn, dat de waarheid niet meer is. Dus is de waarheid eeuwig.

Sed contra est quod solus Deus est aeternus, ut supra habitum est. (Iª q. 16 a. 7 s. c.)

Daartegenover staat echter dat God alleen eeuwig is, zooals we hierboven bewezen hebben (Xe Kw., IIIe Art.).

Respondeo dicendum quod veritas enuntiabilium non est aliud quam veritas intellectus. Enuntiabile enim et est in intellectu, et est in voce. Secundum autem quod est in intellectu, habet per se veritatem. Sed secundum quod est in voce, dicitur verum enuntiabile, secundum quod significat aliquam veritatem intellectus; non propter aliquam veritatem in enuntiabili existentem sicut in subiecto. Sicut urina dicitur sana, non a sanitate quae in ipsa sit, sed a sanitate animalis, quam significat. Similiter etiam supra dictum est quod res denominantur verae a veritate intellectus. Unde si nullus intellectus esset aeternus, nulla veritas esset aeterna. Sed quia solus intellectus divinus est aeternus, in ipso solo veritas aeternitatem habet. Nec propter hoc sequitur quod aliquid aliud sit aeternum quam Deus, quia veritas intellectus divini est ipse Deus, ut supra ostensum est. (Iª q. 16 a. 7 co.)

De waarheid van het oordeel is dezielfde als die van het verstand: het oordeel is immers én in het verstand, én in de woorden. Voor zoover het in het verstand is, komt de waarheid er uiteraard aan toe; voor zoover het in de woorden is, noemt men het : de uitdrukking van het ware, omdat het nl. de waarheid van het verstand te kennen geeft, niet echter alsof de waarheid aan de uitdrukking toekwam als aan het subjekt er van. Zoo noemen wij het water gezond, niet alsof het water zelf gezond was, maar om de gezondheid van het lichaam, waarvan het water een teeken is. Op dezelfde wijze hebben wij ook vroeger gezegd (Ie Art.), dat de dingen waar genoemd worden, krachtens de waarheid, die in het verstand is. Indien er dus geen eeuwig verstand was, zou er ook geen eeuwige waarheid zijn. Maar omdat alleen het goddelijk verstand eeuwig is, is de waarheid alleen in God eeuwig. Daaruit volgt niet, dat iets buiten God eeuwig is, want de waarheid van het goddelijk verstand is God zelf, zooals vroeger bewezen is. (Ve Art.)

Ad primum ergo dicendum quod ratio circuli, et duo et tria esse quinque, habent aeternitatem in mente divina. (Iª q. 16 a. 7 ad 1)

1 — Het begrip cirkel en de waarheid : twee en drie is vijf, zijn eeuwig in het goddelijk verstand.

Ad secundum dicendum quod aliquid esse semper et ubique, potest intelligi dupliciter. Uno modo, quia habet in se unde se extendat ad omne tempus et ad omnem locum, sicut Deo competit esse ubique et semper. Alio modo, quia non habet in se quo determinetur ad aliquem locum vel tempus, sicut materia prima dicitur esse una, non quia habet unam formam, sicut homo est unus ab unitate unius formae, sed per remotionem omnium formarum distinguentium. Et per hunc modum, quodlibet universale dicitur esse ubique et semper, inquantum universalia abstrahunt ab hic et nunc. Sed ex hoc non sequitur ea esse aeterna, nisi in intellectu, si quis sit aeternus. (Iª q. 16 a. 7 ad 2)

2 — Altijd en overal zijn kan op twee manieren verstaan worden : ten eerste zóó, dat een wezen het vermogen zou bezitten om zich uit te strekken over alle tijden en plaatsen, zooals het aan God toekomt, overal en altijd te zijn. Ten tweede zóó, dat een wezen niets in zich zou dragen, waardoor het tot een zekere plaats of tijd beperkt wordt, zooals de stof één genoemd wordt, niet omat ze één vorm-oorzaak heeft, zooals de mensch één is door de eenheid van zijn vorm-oorzaak, maar omdat zij geen enkele vorm-oorzaak heeft, die er een onderscheid in veroorzaakt. En in dien zin zijn alle algemeene begrippen overal en altijd, voor zoover wij bet algemeene opvatten met voorbijzien van de afzonderlijk-bepalende omstandigheden van tijd en plaats. Daaruit volgt echter niet, dat zij eeuwig zijn, tenzij in het verstand, dat eeuwig is.

Ad tertium dicendum quod illud quod nunc est, ex eo futurum fuit antequam esset, quia in causa sua erat ut fieret. Unde, sublata causa, non esset futurum illud fieri. Sola autem causa prima est aeterna. Unde ex hoc non sequitur quod ea quae sunt, semper fuerit verum ea esse futura, nisi quatenus in causa sempiterna fuit ut essent futura. Quae quidem causa solus Deus est. (Iª q. 16 a. 7 ad 3)

3 — Wat op dit oogenblik is, was toekomstig vóór het was, omdat het in de bedoeling lag van de oorzaak dat het zou zijn. Heft men dus de oorzaak op, dan is zijn ontstaan niet toekomstig. Welnu, alleen de eerste oorzaak is eeuwig. Men mag dus niet besluiten, dat het altijd waar geweest is, dat de dingen die bestaan, in de toekomst zullen zijn, tenzij voor zoover het in de bedoeling ligt van de eeuwige oorzaak, dat zij zullen ontstaan, en die oorzaak is God alleen.

Ad quartum dicendum quod, quia intellectus noster non est aeternus, nec veritas enuntiabilium quae a nobis formantur, est aeterna, sed quandoque incoepit. Et antequam huiusmodi veritas esset, non erat verum dicere veritatem talem non esse, nisi ab intellectu divino, in quo solum veritas est aeterna. Sed nunc verum est dicere veritatem tunc non fuisse. Quod quidem non est verum nisi veritate quae nunc est in intellectu nostro, non autem per aliquam veritatem ex parte rei. Quia ista est veritas de non ente; non ens autem non habet ex se ut sit verum, sed solummodo ex intellectu apprehendente ipsum. Unde intantum est verum dicere veritatem non fuisse, inquantum apprehendimus non esse ipsius ut praecedens esse eius. (Iª q. 16 a. 7 ad 4)

4 — Daar ons verstand eeuwig is, is ook de waarheid van onze oordeelen niet eeuwig, maar heeft ze éénmaal een begin gehad. Immers vóór het bestaan van die waarheid, kon men niet naar waarheid zeggen, dat zij bestond, tenzij met het oog op het goddelijk verstand, waarin alleen de waarheid eeuwig is. Nu echter spreken wij waarheid, wanneer we zeggen, dat die waarheid toen niet was. En die bevestiging is waar door een waarheid, die nu in ons verstand is, maar niet door een waarheid, die van het ding komt : het gaat immers over een waarheid omtrent een niet-zijnde. Het niet-zijnde toch is niet uiteraard waar, maar alleen door de opvatting van het verstand. Het is dus waar, te zeggen, dat er geen waarheid was, voor zoover wij ons haar niet-zijn denken als haar zijn voorafgaand.

Articulus 8.
Is de waarheid onveranderlijk?

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod veritas sit immutabilis. Dicit enim Augustinus, in libro II de libero arbitrio, quod veritas non est aequalis menti, quia esset mutabilis, sicut et mens. (Iª q. 16 a. 8 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de waarheid onveranderlijk is. Augustinus zegt immers in het IIe Boek Over de Vrijheid van den Wil (XIIe H.), dat de waarheid niet is zooals de geest, want dan zou zij evenals de geest veranderlijk zijn.

Praeterea, id quod remanet post omnem mutationem, est immutabile, sicut prima materia est ingenita et incorruptibilis, quia remanet post omnem generationem et corruptionem. Sed veritas remanet post omnem mutationem, quia post omnem mutationem verum est dicere esse vel non esse. Ergo veritas est immutabilis. (Iª q. 16 a. 8 arg. 2)

2 — Wat stand houdt, door iedere verandering heen, is onveranderlijk. Zoo is de eerste stof ongeworden en vergaat ze niet, omdat zij stand houdt, door alle worden en vergaan heen. Welnu, de waarheid blijft voortbestaan, door iedere verandering heen, want na elke verandering blijft het waar, dat iets is of niet is. Bijgevolg is de waarheid onveranderlijk.

Praeterea, si veritas enuntiationis mutatur, maxime mutatur ad mutationem rei. Sed sic non mutatur. Veritas enim, secundum Anselmum, est rectitudo quaedam, inquantum aliquid implet id quod est de ipso in mente divina. Haec autem propositio, Socrates sedet, accipit a mente divina ut significet Socratem sedere, quod significat etiam eo non sedente. Ergo veritas propositionis nullo modo mutatur. (Iª q. 16 a. 8 arg. 3)

3 — Indien de waarheid van de uitspraken voor verandering vatbaar is, dan zal zij het meest veranderen, wanneer de zaak verandert. Welnu, op die wijze verandert ze niet: de waarheid, zegt immers Anselmus in zijn Samenspraak over de Waarheid (VIIIe en IXe H.), is een zekere juistheid die hierin bestaat, dat iets datgene verwezenlijkt, wat het goddelijk verstand er over heeft vastgesteld. Welnu de uitspraak : Socrates zit moet krachtens het goddelijk verstand beteekenen, dat Socrates zit, en die beteekenis blijft, ook wanneer hij niet zit. Dus verandert de waarheid van de uitspraak niet.

Praeterea, ubi est eadem causa, et idem effectus. Sed eadem res est causa veritatis harum trium propositionum Socrates sedet, sedebit, et sedit. Ergo eadem est harum veritas. Sed oportet quod alterum horum sit verum. Ergo veritas harum propositionum immutabiliter manet. Et eadem ratione cuiuslibet alterius propositionis. (Iª q. 16 a. 8 arg. 4)

4 — Eenzelfde oorzaak heeft hetzelfde uitwerksel. Welnu, éénzelfde ding is de oorzaak van de waarheid van die drie uitspraken: Socrates zit, zal zitten, en zat. Dus is hun waarheid dezelfde. Welnu, een van die drie uitspraken moet waar zijn. Dus blijft hun waarheid onveranderd, en om dezelfde reden de waarheid van om het even welken volzin.

Sed contra est quod dicitur in Psalmo XI, diminutae sunt veritates a filiis hominum. (Iª q. 16 a. 8 s. c.)

Dit is echter strijdig met de woorden van Psalm 11,2 : « De Waarheden zijn verminderd onder de kinderen der menschen. »

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, veritas proprie est in solo intellectu, res autem dicuntur verae a veritate quae est in aliquo intellectu. Unde mutabilitas veritatis consideranda est circa intellectum. Cuius quidem veritas in hoc consistit, quod habeat conformitatem ad res intellectas. Quae quidem conformitas variari potest dupliciter, sicut et quaelibet alia similitudo, ex mutatione alterius extremi. Unde uno modo variatur veritas ex parte intellectus, ex eo quod de re eodem modo se habente aliquis aliam opinionem accipit, alio modo si, opinione eadem manente, res mutetur. Et utroque modo fit mutatio de vero in falsum. Si ergo sit aliquis intellectus in quo non possit esse alternatio opinionum, vel cuius acceptionem non potest subterfugere res aliqua, in eo est immutabilis veritas. Talis autem est intellectus divinus, ut ex superioribus patet. Unde veritas divini intellectus est immutabilis. Veritas autem intellectus nostri mutabilis est. Non quod ipsa sit subiectum mutationis, sed inquantum intellectus noster mutatur de veritate in falsitatem; sic enim formae mutabiles dici possunt. Veritas autem intellectus divini est secundum quam res naturales dicuntur verae, quae est omnino immutabilis. (Iª q. 16 a. 8 co.)

Hierboven (Ie Art.) hebben wij gezien, dat de waarheid in eigenlijken zin alleen in het verstand is; de dingen worden waar genoemd, om de waarheid, die in het verstand is. Willen wij bijgevolg de veranderljkheid der waarheid begrijpen, dan moeten wij haar verhouding tot het verstand in het oog houden. De waarheid van het verstand bestaat in een overeenstemming met de gekende dingen. Die overeenstemming kan, evenals iedere andere gelijkvormigheid, op twee wijzen veranderen, door de verandering nl. van één der uitersten. Op een eerste manier verandert de waarheid, van den kant van het verstand, indien iemand een ding, dat zichzelf gelijk blijft, verschillend beoordeelt. Op een tweede manier, indien het ding verandert, maar het oordeel hetzelfde blijft. In beide gevallen gaat de waarheid over naar valschheid. Indien er dus een verstand is, dat aan geen wisseling van oordeel onderhevig is, of waaraan niets kan ontgaan, dan is in dit verstand onveranderlijke waarheid. Welnu, zoodanig is het goddelijk verstand, zooals uit het hierboven gezegde blijkt (XIVe Kw., 15e Art.). De waarheid van het goddelijk verstand is dus onveranderlijk; de waarheid van ons verstand echter is veranderlijk, niet alsof zij zelf het subjekt was van verandering, maar omdat ons verstand overgaat van waarheid tot valschheid : zóó immers kunnen waarheid en valschheid veranderlijke vormen genoemd worden. De waarheid van het, goddelijk verstand is echter die waarnaar alle natuurdingen waar genoemd worden, en die waarheid is volstrekt onveranderlijk.

Ad primum ergo dicendum quod Augustinus loquitur de veritate divina. (Iª q. 16 a. 8 ad 1)

1 — Augustinus bedoelt de goddelijke waarheid.

Ad secundum dicendum quod verum et ens sunt convertibilia. Unde, sicut ens non generatur neque corrumpitur per se, sed per accidens, inquantum hoc vel illud ens corrumpitur vel generatur, ut dicitur in I Physic.; ita veritas mutatur, non quod nulla veritas remaneat, sed quia non remanet illa veritas quae prius erat. (Iª q. 16 a. 8 ad 2)

2 — Het ware en het zijnde zijn omkeerbaar. Bijgevolg, evenals, volgens het 1e Boek der Physica (VIIIe H., Nr 6), het zijnde op zichzelf noch ontstaat noch vergaat, maar alleen op bijkomstige wijze, voor zoover dit of dat bepaald zijnde vergaat of ontstaat, zoo verandert ook de waarheid, niet omdat er geen enkele waarheid onveranderd blijft, maar omdat een waarheid, die eerst was, geen stand houdt.

Ad tertium dicendum quod propositio non solum habet veritatem sicut res aliae veritatem habere dicuntur, inquantum implent id quod de eis est ordinatum ab intellectu divino; sed dicitur habere veritatem quodam speciali modo, inquantum significat veritatem intellectus. Quae quidem consistit in conformitate intellectus et rei. Qua quidem subtracta, mutatur veritas opinionis, et per consequens veritas propositionis. Sic igitur haec propositio, Socrates sedet, eo sedente vera est et veritate rei, inquantum est quaedam vox significativa; et veritate significationis, inquantum significat opinionem veram. Socrate vero surgente, remanet prima veritas, sed mutatur secunda. (Iª q. 16 a. 8 ad 3)

3 — In een uitspraak ligt niet slechts waarheid, zooals in de andere dingen, die waar zijn, voor zoover zij nl. beantwoorden aan de beschikking van het goddelijk verstand, maar op een wijze die haar eigen is, nl. voor zoover zij de waarheid van het verstand uitdrukt. Welnu, die waarheid is de overeenkomst van het verstand en van het ding; met de opheffing van die overeenkomst verandert de waarheid van het oordeel, en bijgevolg ook die van de uitspraak: Zóó is de uitspraak Socrates zit waar, indien hij zit, én als ding, voor zoover zij bestaat uit woorden met een zekere beteekenis, én als uitdrukking, voor zoover zij een oordeel te kennen geeft, dat waar is. Maar indien Socrates opstaat, dan blijft de eerste waarheid, terwijl de tweede verandert.

Ad quartum dicendum quod sessio Socratis, quae est causa veritatis huius propositionis, Socrates sedet, non eodem modo se habet dum Socrates sedet, et postquam sederit, et antequam sederet. Unde et veritas ab hoc causata, diversimode se habet; et diversimode significatur propositionibus de praesenti, praeterito et futuro. Unde non sequitur quod, licet altera trium propositionum sit vera, quod eadem veritas invariabilis maneat. (Iª q. 16 a. 8 ad 4)

4 — Het zitten van Socrates, dat oorzaak is van de waarheid van de uitspraak : Socrates zit, is niet hetzelfde, wanneer Socrates zit, er na, en er vóór. Daarom is ook de waarheid, die er door veroorzaakt wordt, dezelfde niet, en wordt ze op verschillende wijze uitgedrukt door de uitspraken in tegenwoordigen, verleden en toekomstigen tijd. Hoewel steeds één der drie uitspraken waar is, volgt daar dus niet uit dat de waarheid onveranderd blijft.